is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 9, 1938-1939, no 8, 15-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meisjes benoem ik aiieen voor werk aan machines, daar zijn ze zo geschikt voor, en ik zorg wel, dat ze nimmer gepromoveerd worden tot de functies van leiding en toezicht, die functies reserveer ik voor de mannen, ik deed dit reeds en ik zal er mee voortgaan.

Zoals begrijpelijk is, vermeldt de minister er niet bij, waar deze verklaring op berust en hoe hij die verhindering van promotie in overeenstemming wil brengen met ons staatsrecht, dat op dit punt geen verschil kent tussen de man en de vrouw, maar hoe* dit ook zij, de ambtenaressen van de giro weten nu tenminste, dat, of ze nu tien of twintig jaren bij de dienst gediend hebben, ze nimmer bevorderd zullen worden tot een functie van leiding en toezicht en de andere ambtenaressen van de Staat kunnen het zich tevens voor gezegd houden, want zoals gezegd, sprak de minister hier uit, wat iedereen reeds wist en wat de stellige opvatting is op alle departementen.

Dat de circulaire de aanstelling tegenhoudt van meisjes in alle functies, waarbij ze niet aan machines behoeven te werken, kan alleen door het voeren van actie bestreden worden, de achterstelling bij promotie is echter iets, dat in strijd is met positieve rechtsnormen. Een ambtenares, die dus tegen bestaande ranglijsten in gepasseerd wordt alleen omdat ze geen man is, zou een beroep kunnen doen op het Ambtenarengerecht of op een van de commissies, die er bij sommige takken van Staatsdienst bestaan. Dit mag alleen een vast aangestelde ambtenares doen, een lerares, die haar leven lang tijdelijk blijft, en een arbeidscontractante, die nimmer een aanstelling krijgt, heeft in het geheel geen recht. De kans van slagen van een aldus gepasseerde vaste ambtenares is echter gering, want de minister zal als wederpartij in een geding wel niet zo vrijmoedig de waarheid zeggen als hij thans in de Kamer gedaan heeft en het niet bevorderd zijn zal hij dan wel toeschrijven aan andere factoren dan aan het feit, dat hij de functies van leiding en toezicht voor de mannen reserveren wil; toch zou het in een zeer sprekend geval te proberen zijn, vooral na deze duidelijke uitspraak, die men den Rechter zou kunnen voorhouden.

Tenslotte is er nog een derde punt. Ook de Staat betaalt, evenals sommige andere werkgevers, aan een meisje minder loon, dan aan een man voor hetzelfde werk. In deze vorm: minder loon voor hetzelfde werk, geschiedt dat niet, de Staat doet dat anders n.1.: voor hetzelfde loon wordt meer werk geëist van meisjes dan van mannen.

Ter verklaring van het grote aantal meisjes bij de giro zegt de minister, dat die gebleken zijn zo geschikt te zijn voor het werken aan machines. Die geschiktheid blijkt aldus. Het

werk aan die reken- en boekhoudmachines is een zenuwslopend en dodelijk vermoeiend werk, vooral tengevolge van de snelheid die verlangd wordt en tengevolge van de overmatig lange werktijden, dagen immers van 10 en zelfs van twaalf werkuren in dat razende tempo zijn geen zeldzaamheid. De arbeidswet is n.1. in het algemeen niet toepasselijk op de giro en voor het kleine deel, waar hij wel toepasselijk is n.1. ten aanzien van kinderen beneden de achttien jaar, wordt hij geregeld en ongestraft overtreden. De mannen echter hebben er nu eenmaal een hekel aan zich zo te laten haasten en bovendien de kans op fouten en dus straffen te vermeerderen, dat willen ze niet en daarom vindt de Staat nu maar goed, dat deze heren der schepping wat minder doen. De meisjes echter moeten zich onderwerpen. Aldus wordt het betere resultaat verkregen, waarvan de minister spreekt. Men begrijpe dus goed, dat het hier betreft meerdere opgelegde en met de dwangmiddelen waarover de Staat beschikt, afgedwongen arbeid. De taken worden van boven af verdeeld en daarbij heeft men zich maar neer te leggen en wie een fout maakt wordt gestraft, onverschillig of dit gebeurt aan het begin of tegen het einde van een dagtaak die 10 of 12 uren werken in razend tempo vordert.

De ervaringen, dat de vrouw zo geschikt is om aan reken- en boekhoudmachines te werken heeft men ook in het buitenland opgedaan, zegt de minister. Zeker, er zijn meer landen op de wereld, waar de vrouw uitsluitend de honde- % baantjes op mag knappen. De minister spreekt hier trouwens alleen van het — door dwang verkregen — meerdere resultaat voor de Staat, waaruit blijken zou dat meisjes zo geschikt zijn voor dit soort werk. Of dat werk ook geschikt is voor die meisjes en of die na enkele jaren voor hun hele verdere leven tot zenuwachtige stumpers gemaakt worden, blijft buiten beschouwing. Aldus zijn die soort redeneringen gegrond, waarmee men tegenwoordig betoogt: de betere baantjes voor den man, de slecht betaalde, afmattende en zenuwslopende baantjes voor de vrouw.

De toestand bij de Staat is dus thans aldus:

De toepassing, zoals die geschiedt, van de circulaire van Maart 1934, leidt tot onrecht jegens de vrouw en vermeerdert de werkeloosheid van den man.

De circulaire wordt in strijd met het positieve recht tevens gehanteerd tegen de normale promotie van de vrouw.

Ook de Staat betaalt aan meisjes minder loon voor hetzelfde werk.

Bij de begroting van Sociale Zaken werd van verschillende zijden aangedrongen, bovenomschreven politiek van de Staat zo gauw