is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 20, 1925, no 4, 30-05-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volkshuisvesting.

(Habitations.)

Duitschland.

(Allemcigne.)

De wonin«'politiek der overheid in 1924. x)

(La politique du gouvernement, au sujet des problèmes des habitations en 192i.)

Naarmate de waardedaling van de Duitsche mark in 1923 hand over hand toenam, was de toestand van het woningwezen steeds zorgwekkender geworden. De vaststelling van redelijke huren bleek nagenoeg ondoenlijk, daar bij het betrekken van de woning de reëele waarde van de overeengekomen huursom reeds weder belangrijk was gedaald. De stabilisatie van het Duitsche geld, welke in de laatste weken van het jaar 1923 tot stand kwam', bleek dan ook voor het woningwezen, en in! het bijzonder voor de overheidsbemoeiing daarmede, van groote beteekenis te zijn. Waar met de invoering van de Rentemark alle economische waarden weder op goudbasis werden vastgesteld, gingen in den aanvang van 1924 de landen er toe over om ook de huren in goudmarken te berekenen. Deze nieuwe wijze van berekening deed scherp uitkomen, hoe aanzienlijk de wettelijk vastgestelde huren verschilden van die, welke vóór het uitbreken van den oorlog in zwang waren; zij varieerden tusschen 25 en 40 pOt. daarvan.

Dit verschijnsel hing ten deele samen met het feit, dat ook de hypotheken geenszins haar goudwaarde behoii(len hadden, zoodat met de waardedaling van het geld tevens het door den huiseigenaar aan hypotheekrente verschuldigde bedrag — in goudmarken berekend — gestadig verminderde, ten gevolge waarvan ook weder de huren evenredig konden dalen. Daarbij kwam, dat de woningbelasting, bekend onder den naam van „Wohnungsbauabgabe", en welke ten doel had de middelen te verschaffen ten einde den nieuwbouw van woningen te bevorderen, geheel ontoereikend was om de waarde der huren op peil te houden. Van deze belasting, waarvoor vaste tarieven golden, bleken ten slotte de heffingskosten de opbrengst geheel op te slorpen.

Het doel der wettelijke maatregelen, n.1. de aanpassing van de huren voor de oude aan die voor nieuwgebouwde woningen, werd niettemin algemeen als juist erkend, wilde de particuliere bouwbedrijvigheid zich herstellen en een terugkeer tot de vrije markt mogelijk zijn. In verband hiermede kwam in Februari 1924 de 3de Steuernotverordnung tot stand, waarin als beginsel was neergelegd, dat de huren langzamerhand weder tot die van vóór den oorlog zouden moeten stijgen. Voorzoover de verhooging der huren niet noodzakelijk zou blijken voor bedrijfs- en onderhoudskosten, zou zij in den vorm van een bijzondere huishuurbelasting aan elk land ten goede komen tot dekking van de algemeene financieele behoeften. Echter diende men' minstens 10 pOt. tot bèvordering van den nieuwbouw aan te wenden.

Hieronder volgen eenige cijfers als voorbeelden van de na de invoering der Verordening gevolgde stijging der wettelijk vastgestelde huurprijzen, in goudmarken berekend, vergeleken met de huren, welke vóór den oorlog golden.

Februari 1924. December 1924.

Pruisen 30 pCt. 66 pCt.

Beieren 36 „ 68 „

Wurtemberg 50 „ 65—70 „

Saksen 23 „ (Maart) 67 „

Thuringen 25 „ 74 „

Lubeck 40 „ 85 „

Voor lokaliteiten, waar een bedrijf wordt uitgeoefend, is in Wurtemberg, Bremen en Lubeck de volle „vredes-huur" reeds bereikt; in Wurtemberg eveneens reeds voor grootere woningen.

De verhooging der huren leidde uiteraard tot een belangrijke toeneming van het aanbod van gemeubileerde kamers, zóó sterk zelfs, dat het aanbod' in tal van gemeenten de vraag verre overtrof. Naar aanleiding van dit verschijnsel gaf de Rijksminister van Arbeid in een rondschrijven aan Regeeringen der landen in overweging om de Rijkshuurwet en de Rijkswet tot bescherming der huurders voor wat betreft gemeubileerde kamers buiten werking te

i) Keichs-Arbeitsblatt, 8 Februari 1925.