Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsbemoeiing met het bedrijfsleven. Een commissie, gekozen uit en samengesteld door de Nederlandsche Mij. voor Nijverheid en Handel heeft rapport uitgebracht over het haar ter bestudeering opgedragen vraagstuk betreffende: „De organisatie van de staatsbemoeiing met het bedrijfsleven.” Leden dier commissie waren de heeren A. Spanjaard, mr. Bierens de Haan, ir. Ingen Housz, ir. Plate en H. W. Reesink. Wij zullen onze lezers het een en ander uit dit zeer omvangrijke rapport mededeelen, omdat het zeer belangrijk is, al was ’t alleen maar omdat het een uiterst belangrijk vraagstuk betreft. Voor ditmaal zullen wij volstaan met de lezers in kennis te stellen met de inleiding van het rapport, hetgeen het voordeel biedt dat wij dan bij verdere bespreking en beschouwing eenigszins ingeleid of ingewerkt, in eik geval zoo’n beetje geïntroduceerd zijn. Hier volgt die inleiding: „De ontwikkeling die ertoe leidde, dat de staat steeds verder ingrijpt in het bedrijfsleven en dat dit laatste steeds meer aangewezen is op de actie van de staat, heeft tal van afzonderlijke schakels tusschen deze twee in het leven geroepen, die ontstonden al naar de nood, op een bepaald gebied, daartoe drong. Deze vormen tezamen geen geheel; een organisatorisch verband tusschen de staat en het bedrijfsleven als geheel, een organisatie, die de verschillende losse schakels ineen zeker onderling verband brengt, die ontbrekende schakels invoegt en een betere samenwerking tusschen staat en bedrijfsleven mogelijk maakt een dergelijk georganiseerd verband ontbreekt nog. De mogelijkheid daarvan te onderzoeken door in groote lijnen een dergelijke organisatie te ontwerpen, is het doel van het volgende. Dit onderwerp beoogt te zijn een grondslag voor verdere opbouwende gedachtenwisseling, een poging om mede te werken aan de verbetering van bestaande toestanden, aan een verdere ordening vaneen in gang zijnde ontwikkeling. Als uitgangspunt worden, inde eerste paragraaf, een aantal bezwaren tegen de huidige toestand genoemd, die, al mogen zij ook niet voor alle gevallen, gelden, over het algemeen in het bedrijfsleven gevoeld worden. 7 De tweede paragraaf geeft weer de gedachten, die aan de voorgestelde regeling ten grondslag liggen; inde laatste paragraaf worden deze gedachten in groote lijnen uitgewerkt. Voor de regeling vaneen dergelijke organisatie zijn zeker verschillende oplossingen mogelijk en uit de aard der zaak zullen tegen ieder voorstel bedenkingen zijn aan te voeren. Wanneer hier dan ook in groote lijnen een schema wordt aangegeven, blijft dit, naar vanzelf spreekt, vatbaar voor wijzigingen. Gestreefd is naar een regeling, die, aansluitend bij wat bestaat, aan de ernstigste bezwaren, die tegen de huidige toestand kunnen worden ingebracht, tegemoet komt.” „Onze Gids”. (L. J. Sn.) Nogmaals wil ik probeeren de aandachtige lezers van deze berichtjes een inzicht te geven van de algemeenheid van „Onze Gids” over de vakken, die door de lezers van dat blad beoefend worden. Vooral voor de kunstsmeden bevat het blad belangrijke artikelen, welke elke kunstsmid zich ter harte kan nemen. Dat er één vak is, dat meer variatie vraagt dan dat der kunstsmeden, is welhaast niet mogelijk. Hierbij toch treedt niet alleen persoonlijke smaak en artisticiteit naar voren, maar ook historische kennis op kunstsmeedgebied. De koperslagers en loodgieters vinden er ook wat van hun gading in. Evenals de plaatwerkers toch hebben zij te maken met uitslagwerk. Wat een overzichtelijke artikelen geeft „De Gids” daarover. De loodgieters moesten eens lezen de meeningen van de schrijvers over het aanleggen van sanitaire benoodigdheden. Weten alle gereedschapmakers wel op welke meest doeltreffende manier de onderscheidene gereedschappen bewerkt en hoe de verschillende staalsoorten gehard moeten worden? Of behoeven zij daaromtrent niets meer te leeren? En de groote groep electrische en autogene-lasschers? Wie van hen zou niet met belangstelling de artikelen daarover lezen en zich de lessen ter harte nemen? Leest wat er over het ketelmakersvak geschreven wordt. Over het versterken van mangaten enz. Bijzonder belangrijk. En zóó populair geschreven, dat elke ketelmaker na lezing zal moeten toegeven, dat het hoe en waarom in logische volgorde is uiteengezet.

En alvorens te eindigen, vestig ik de aandacht op de vragenrubriek. Wie van ons heeft niet te maken gehad met schier onoplosbare moeilijkheden of met dingen die hij vanwege te weinig genoten onderwijs niet tot een oplossing kon brengen? Vraag het de medewerkers. En hun antwoord wijst u de weg, ook die welke u in staat stelt inde vervolge zelf de vragen op te lossen. Maar ook voor hen, die niet gevraagd hebben, is het lezen van deze vragen en antwoorden interessant en leerrijk. Vrienden, dit is het laatste artikel dat ik voor de „Gids” schrijf. Ik vermeen u nu voldoende te hebben aangetoond, dat elke metaalbewerker zich daarop moet abonneeren. Reeds zijn een aantal makkers u voorgegaan. Zij toch hebben een proefnummer aangevraagd. Doe gelijk zij dat deden. De „Gids” kan nog wel wat abonnees hebben. Gij zijt op alle vragen, het metaalbewerkersvak betreffende, ingelicht met het bezit van het boekje over metaalbewerking, dat maar een uitgave voor één keer van één gulden vergt en met een abonnement van één gulden per jaar op „Onze Gids”. Laat u voor deze luttele som een schat van gegevens niet ontgaan! Geeft u op bij uw afdeelingsbestuur of vraagt een proefnummer aan. De kennismaking zal een aangename zijn. Dus nogmaals: abonneert u op „Onze Gids”! tIÈtNIC-VlWi UIT DE M/lM'/TiDDEEkTIEVL ifcPill j mvi( i\( Eén van de openbare diensten waarop de regeering op krachtige wijze het snoeimes toegepast heeft, betreft de keuringsdienst. Destijds hebben wij er in ons blad op gewezen dat deze bezuinigingsmaatregel ertoe zou leiden dat de vervalsching van eet- en drinkwaren, om van andere dingen nog maar niet te spreken, weer zou toenemen. En ’t is prompt uitgekomen ook. In Amsterdam, waar men op ’t gebied van de volksgezondheid immer bijzonder actief was, schijnen de handelaren van onderscheiden aard en soort er op te hebben gerekend dat inkrimping van de keuringsdienst van waren een goede gelegenheid bood om vroegere knoeierijen weer in eére te herstellen. In „Het Volk”, ochtendblad van Woensdag 7 Maart, lezen wij het volgende: „Hoewel de controle na de beperking van het personeel zoo streng mogelijk wordt gehandhaafd, is duidelijk te merken, dat de preventieve werking van de keuring sterk is verminderd. Wij geven hieronder een vergelijking van de cijfers over Januari van dit jaar en December van het vorige jaar. Zij spreken voor zichzelf: Jan. '34 Dec.’3S Te lichte brooden ; 432 139 Niet behoorlijk gezegelde melkbussen 52 20 Aantal waarschuwingen wegens te gering vetgehalte in melk en melkproducten 277 119 Aanmerkingen op pasteu- . risatie-lokalen 22 6 Onvoldoend verhitte melk in lunchrooms 112 Het lijkt ons dringend , noodzakelijk, dat in het belang van de volksgezondheid aan deze onrustbarende ontwikkeling de vereischte aandacht wordt geschonken.” . De verbruikers dat zijn wij allemaal zullen hieruit de les moeten putten dat zij zich tegen knoeierij hebben te waarborgen. Het beste middel daartoe biedt de coöperatie, dat is de organisatie van de verbruikers. Zij richt zich niet inde eerste plaats op ’t maken van winst, zooals de particulieren, doch beoogt het dienen van de belangen der aangesloten leden. Geen betere waarborg tegen vervalsching dan versterking van en aansluiting bij de coöperatie. Met Paschen naar „Avegoor”. De Ned. Bond van Personeel in Overheidsdienst deelt ons mede, dat zijn vacantie-oord „Avegoor”, gelegen te Ellecom, aan de Middachter Allée, gedurende de Paaschweek, dus van 29 Maart af, geopend is en dat ook onze leden inde gelegenheid gesteld worden van dit vacantie-oord gebruik te maken. De pensionprijs bedraagt ƒ2.75 per dag. Kinderen belangrijke reductie. Voor het reserveeren van pensionruimte kan men zich wenden tot de bedrijfsleider van het vacantie-oord „Avegoor” te Ellecom (Gld.).

LOODGIETERSBEDRMF (C. O.) De bespreking van 27 Febr. met de besturen van de loodgieterspatroonsbonden inzake de vernieuwing van het contract heeft niet tot overeenstemming geleid. Van beide zijden werden de standpunten uitvoerig belicht. En aangezien beide partijen eigen voorstellen bleven handhaven, kon er geen sprake van zaken-doen zijn. De patroons meenden dat de voorgestelde verlaging van het loon persé noodzakelijk was om de toch al zoo moeilijke toestand van het bedrijf niet nog erger te zien worden. Van onze kant verklaarden wij niet van plante zijn maar slaafs te volgen wat in het bouwvak werd overeengekomen en de loonsverlaging, die als hoofdinhoud van de voorstellen werd vooropgezet, niet te kunnen zien als een redmiddel van het bedrijf. Ten slotte werd afgesproken, dat de patroonsbonden in eigen kring nader zouden beraden tot welke voorstellen zij kunnen komen als uiterste die zij voor hun leden kunnen verdedigen en welke voorstellen zij ons dan zullen doen toekomen. Wij zouden deze voorstellen binnen acht dagen wel tegemoet kunnen zien en onzerzijds is daarop toegezegd dat wij deze dan aan onze leden zullen voorleggen en een uitspraak vragen of op deze voorstellen de onderhandelingen kunnen worden voortgezet. ' Een en ander zullen wij nu dus even afwachten. Pinksteren 1934. „Spaart voor het Pinksterfeest!” (L. J. Sn.) Het heeft geholpen, vrienden! Er komen meer spaarders bij, maar het is bij lange na nog niet voldoende. Zoolang onze penningmeesters van de jeugdgroepen nog niet klagen over te groote toeloop, zoo lang is de zaak niet in orde. Stel je maar eens voor, zoo’n Pinksterkamp voor 300 of voor 600 jonge metaalbewerkers. Dat scheelt nogal wat. De kampkosten inde vorm van terreinhuur etc. blijven voor het bondsbestuur dezelfde. De andere onkosten natuurlijk niet. Maar wat pleizierig is het te weten, dat het bestede kapitaaltje ten volle voor 100 pCt. profijt oplevert. Want het levert het op, kameraden. Zoo’n 600 jongemannen krijgen op dit feest een gevoel van te behooren tot de groote machtige beweging. Zij weten dan geruggesteund te zijn door tallooze bondgenooten in hun strijd of in hun toekomstige strijd om het bestaan. En de groote wensch, alle jonge metaalbewerkers bijeen te krijgen, moet toch de wensch zijn van allen, die het wél meenen met de jongere makkers. Het zal wel lang duren vóór en aleer we dit beleven. En het kan toch, wanneer een ieder, jong en oud, spaarde voor dit jaarlijksche hoogtepunt in onze beweging, het Pinksterfeest voor de jongeren. Hun bij te brengen de beteekenis van de Pinkster – gedachte, in het licht van onze arbeidersbeweging. En in ’t algemeen bezien, kan dat sparen voor de jongeren nooit geen kwaad. Vooral als zij aan dergelijk werk, als ons jeugdwerk, doen. Officieus is mij bekend, dat het N.V.V. a.s. najaar weer een landdag voor de jongeren wil houden. Daar heb je het alweer! Een ieder van onze jongeren kan daaraan deelnemen. En de ouderen kunnen hen inspireeren om daarvoor te sparen, nietwaar? Vanzelf komt het niet. Als het tijdstip voor deze dingen, Pinksterfeest en Landdag, aangebroken is, dan is een ieder maar niet direct in staat om reisgeld neer te tellen. Sparen, dus sparen! Maar het urgente is nu: het Pinksterfeest. Daarvoor inde eerste plaats gezorgd. Laat ieder zijn best doen dit Pinksterfeest, door zooveel mogelijk jongeren te laten deelnemen, te doen slagen. En dat kan met het motto vóór oogen: „Spaart voor het Pinksterfeest!” VERANTWOORDING Inde maand Februari 1934 werd afgedragen over de maand Januari 1934 dooide volgende afdeelingen; Beverwijk ƒ54.33, De Bilt ƒ43.18, Brammen ƒso.—. Eindhoven ƒ593.60, Den Helder ƒ 21.45, Krommenie ƒ 41.84, Oude Pekêla ƒ75.—, Tilburg ƒ99.46, Vaassen ƒ504.80; Voorburg ƒ 100.61, Winterswijk ƒ36.64, Ijlst ƒ21.63, IJmuiden ƒ342.94, Zutphen ƒ65.90 en verspreide leden ƒ 449.20. Alle andere afdeelingen behielden hun afdracht voor uitkeeringen, De bondspenningmeester, H, J. VAN DEN BORN.

De leeftijd onzer afdeelingsbestuurders. I Het N.V.V. heeft onlangs een onderzoek ingesteld naar de leeftijden der afdeelingsbestuurders van de moderne vakvereenigingen in ons land. *) Na afloop van dit onderzoek heeft het Vakverbond ons bondsbestuur de enquêteformulieren, die betrekking hebben op onze afdeelingen, toegezonden. Wij hebben uit de inlichtingen, die onze 1 afdeelingen in deze vragenlijsten verstrekt hebben, berekend dat de gemiddelde leeftijd van onze afdeelingsbestuurders 37 jaar is. 611 bestuurders van 93 afdeelingen (niet alle afdeelingen bleken de vragenlijst ingevuld te hebben) hebben namelijk een gezamenlijke leeftijd van 22.579 jaren. Zeven afdeelingen hebben een bestuur dat (gemiddeld) jonger is dan 30 jaar. 27 afdeelingen hebben een afdeelingsbestuur met een gemiddelde leeftijd van 30 tot en met 34 jaar. 32 afdeelingen hebben een afdeelingsbestuur met een gemiddelde [ leeftijd van 35 tot en met 39 jaar en 27 • afdeelingen hebben een bestuur met een gemiddelde leeftijd van 40 tot en met 47 jaar. 66 van de 93 afdeelingen die geantwoord hebben bezitten dus een afdeelingsbestuur waarvan de leden gemiddeld onder de 40 jaar blijven. Ten slotte nog enkele uitersten. De afdeelingen Driebergen en Den Helder hebben een afdeelingsbestuur met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar. Dan volgen Winterswijk met 27 jaar, Goor met 28 jaar en Geertruidenberg, ■ Harlingen en Zaandam met 29 jaar. Een gemiddelde leeftijd van 45 jaar hebben de afdeelingsbesturen van Deventer en Maassluis. Hierop volgen Lekkerkerk, Middelburg en ’S-Gravenhage met 46 jaar en Lemmer met 47 jaar. Tenslotte kunnen wij nog mededeelen dat de jongste afdeelingsbestuurder 20 jaar is, terwijl de oudste 68 jaar is. Uit de hierboven medegedeelde cijfers blijkt wel heel duidelijk, dat al kan de moderne vakbeweging nog heel wat jonge ( krachten gebruiken, het toch verre van juist is dat de jongere generaties zich van de vakbeweging zouden hebben afgekeerd. Zoolang ruim 70 pCt. van de besturen onzer afdeelingen (en bij de andere bonden zal I het wel niet zoo heel veel verschillen) gemiddeld nog onder de 40 jaar blijft, mogen wij zonder overdrijving zeggen dat onze beweging haar aantrekkingskracht voor de jongere generaties niet verloren I heeft. (Eigen doc. bur.) h Leeftijd per 1 Februari 1933. Arbeid voor Onvolwaardigen. Men schrijft ons: Het pas verschenen Februari-nummer van het orgaan der Nederlandsche Vereeniging „Arbeid voor Onvolwaardigen” (A.V.0.) bevat het 2e deel, tevens slot, van een van redactiewege geplaatst artikel, getiteld: „Arbeidsbegrip en arbeidswetenschap”. Hierin wordt speciaal behandeld het vraagstuk der arbeidsstudie en der arbeidswetenschap met betrekking tot de I werkplaatsen en arbeids-inrichtingen voor onvolwaardigen. De schrijver, die deze I werkplaatsen ziet als een voorportaal voor het gewone bedrijfsleven, concludeert, dat 1 het introduceeren van speciale arbeidsstudie en arbeidstechnische voorlichting voor die werkplaatsen geen raison heeft, vooral omdat ook in het gewone bedrijfsleven de toepassing vaneen en ander nog maar tot de zeldzaamheden behoort. Het tijdschrift bevat verder overgenomen artikelen over „Zorg voor lichamelijk I gebrekkigen’ en „Zorg voor en onderwijs aan Zwakzinnigen”, respectievelijk van de hand van dr. J. van Assen Jr., en dr. A. van Voorthuysen, terwijl de door I piof. Hanselmann uit Zürich over laatstgenoemd onderwerp gehouden lezing (in J October 1933 te Utrecht) verkort eveneens is weergegeven. Ook is er nog een artikel van dr. W. Bronkhorst over „A.V.O. ”-pro! paganda en arbeidstherapie” en een 'ver-I slag vaneen onlangs in Haarlem gehouden vergadering, waar de directeur der gemeentelijke arbeidsbeurs te Amsterdam I een lezing hield over arbeidsbemiddeling voor onvolwaardige arbeidskrachten. Al met al een lezenswaardig nummer, waarvan de inhoud met bovenstaande op-1 somming nog niet volledig is weergegeven. We willen van die inhoud alleen nog vermelden de mededeeling van de redactie, dat in samenwerking met alle instituten, scholen en vereenigingen van doofsommen is opgericht een arbeidsbureau voor doofstommen. f"’"" | Wij willen Hitler niet -en even-J min zijn waren.1 Boycot Duitsche { | goederen! § • |

Sluiten