is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 3, 21-10-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Als ik zie naar dit doorgroefde gelaat en de nog sterke, lichtende ogen komt mij een woord van Albert Schweitzer in herinnering, waarin hij als de grote levenskunst noemt: het onversleten door het leven gaan.

Nog wapperen zijn grijze haren om zijn gerimpelde hoog gewelfde voorhoofd, en de baard is teken van nog ongebroken kracht. Is hij in zijn jeugd, toen hij sterk en onvervaard het wondere leven inging, misschien trots geweest op zijn lokken waardoor hij graag de storm liet spelen, als hij daartegen inging met vaste tred? Hebben misschien de handjes van zijn kinderen gegraaid in de baard als zij mèt hun sterke vader stoeiden in uitgelaten levenslust? Hebben die ogen niet vuur geschoten, omdat een gloeiende ziel in het lichaam woonde?

Nu zijn de jaren over zijn hoofd gegaan, en het leed werd hem niet gespaard. Ge kunt het zien aan de gesloten mond, die zijn kracht ook daarin heeft moeten tonen, dat hij veel stomme klacht bedwingen leerde; ge ziet het aan de rimpels overal op dit veredeld gelaat. Maar het meest van al treft mij, dat nóg de innerlikc gloed der ziel zulk een kracht behield, dat het gelaat er door verlicht wordt. Hier is de levenskracht gebroken noch verzwakt, wel verstild en gelouterd; hier is de gespannen aandacht voor het levenswonder niet verslapt noch verbitterd, wel naar binnen gericht; en de kracht van idealisme en geloof is door de ervaringen vaneen lang leven niet verminderd.

Onversleten door het leven gaan —■ het is het geheim van wie begenadigd werden met sterke zielskrachten; van wie weten iat de heilige zin van het leven bewaard en gediend wordt in een vurig, stralend hart. Nog brandt zijn leven als een vlam; en als eens het einde komt, dan zal zijn schoonste glorie zijn: gestraald te hebben.

Oude man

REMBRAND!

Solidariteit

H et gemis aan eensgezindheid onder de arbeiders is een van de droevigste verschijnselen van de arbeidersbeweging. Heel treurig openbaart zich dit altijd weer bij een staking, waar onderkruipers optreden als verraders van hun klasse. Nu is het merkwaardig, dat de bezittende klasse dit nooit als verraad opvat, maar omgekeerd luide de vrijheid van arbeid aanprijst en tevens nog den onderkruiper verheerlijkt als een man, die eerlijk voor zijn brood wil werken, liever dan steun te trekken of te leven van een stakingsuitkeering.

De structuur van onze maatschappij maakt het den arbeiders echter moeilijk werkelijk solidair te zijn. Wat in onze maatschappij geldt als hoogste wet, n.l. met alle energie voor zich zelf te zorgen, strijdt met deze solidariteit. Ik wil dit met een voorbeeld uit de praktijk aantoonen.

Hier bij ons is een uieninleggerij opgericht (juinfabriek, zeggen ze hier). Voordat het seizoen begon, was er al aanbod van werkkrachten te over. Men hoopte op een loon van ƒ 15. per week. Dat is voor het platteland van Brabant thans een hoog loon, maar voor het bedrijf, dat uit Zwijndrecht overgeplaatst werd hierheen, al een mooie besparing. Eidoch, de aanbiedingen kwamen zeer overvloedig. Men zegt, dat een vader met twee volwassen zoons zich aanbood voor zeven of acht

gulden per week elk. Zelfs voor het gemoed van de ongeorganiseerde Brabantsche landarbeider, die alles gauw goed vindt en gemakkelijk berust in de omstandigheden, was dit te veel. Zulk een aanbod vond hij een verraad aan de mede-arbeiders. Toch deed de vader-met-zijn-zoons, gezien uit het standpunt van het rechtstreeksche eigenbelang, niets onbehoorlijks. Hij trachtte voor zijn gezin het grootst-mogelijke inkomen te krijgen en redeneerde aldus: Bij de weinige werkgelegenheid is er bijna geen kans dat wij alle drie werk vinden tegen een behoorlijk loon. Als er één werkt, dan is het gezinsinkomen misschien ƒ 15.—. Zijn we alle drie werkloos, dan mag er maar één van ons naar de werkverschaffing, loon plm. ƒ 10.—. Ik kies het zekere voor het onzekere: wij bieden ons met ons drieën aan samen voor ruim twintig gulden.

Natuurlijk levert hij zoo den werkgever een mooi voordeeltje, en voor zijn medearbeiders bederft hij alles. Maar toch doet hij niets anders, dan wat iedere kapitalistische ondernemer zou doen: zoo voordeelig mogelijk zijn waar, in dit geval zijn arbeidskracht van de hand doen. Welk ondernemer denkt er aan, als hij zijn concurrent er uit werkt, wat verder de gevolgen daarvan zijn? Dit is het kapitalistisch bedrijf, tevens de liberale leer: ieder zorgt met alle energie voor zich zelf en zün eigen zaak, dan vaart de maatschappij daar wel bij. Gezien vanuit een individualistische maatschappijleer, die uitgaat van

•het persoonlijke eigenbelang als de bewegende kracht, die de maatschappij in stand houdt en tot bloei brengt, deed de vadermet-zijn-zoons verstandig. Maar voor zijn mede-arbeiders bederft hij de arbeidsmarkt en het oogenblikkelijke belang gaat dikwijls boven de solidariteit met de medearbeiders. De solidariteit, die in gaat tegen het oogenblikkelijk belang, is daarom een geestelijk goed. De bezittende klasse, die graag profiteert van de verlegenheid van een in zich zelf verdeelde arbeidersklasse, wil echter deze solidariteit niet zien als zulk een geestelijk goed en weet ze niet anders te verklaren en te blameeren dan uit verkeerden invloed van de leiders.

De arbeiders willen zelf nog wel goed, zoo zegt men, en dan bedoelt men: die willen nog wel het oogenblikkelijk eigenbelang laten gelden ten voordeele van de bezittende klasse, maar de leiders stoken ze op ter wille van hun eigen baantje.

Maar die leiders doen in werkelijkheid voortdurend een beroep op het zedelijk gevoel van de arbeiders, om ze tot solidariteit te wekken. Dat zulk een solidariteit aan een bezittende klasse niet aangenaam is, doet aan haar zedelijke waarde niets af. In een religieus blad, dat zich ook bezig houdt met zedelijke vraagstukken, mag wel eens goed onderstreept worden, dat deze solidariteit een geestelijk goed is. dat vrij wat hooger staat dan het op zich zelf gerichte eigenbelang der kapitalistische maatschappij.

K. TERPSTRA.