is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 39, 30-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Letterkunde

Het Leven van Arsenjew door Iwan Boenin. Van Holkema en Warendorf, N.V. Amsterdam 1934. Vertaling van dr. A. Kosloff.

Dit Is een boek dat de sfeer ademt van Rusland. Het oude Rusland. Ach, waarschijnlijk ook wel van het nieuwe. Want de ziel van een volk verandert niet. Hoe Ik dit weet, dat het boek een Russische sfeer ademt? Ik ken geen Russisch, en men zegt dat vertalingen uit het Russisch uiterst bezwaarlijk zijn. Maar zóó slecht of middelmatig Is toch geen vertaling of op den duur, door den Indruk van vele andere werken, voelt men een bepaald volkskarakter aan: het zwaarmoedige der Skandlnavlërs, het fatallstlsch-luchthartige en tevens onberekenbaar-dlepzlnnlgrellgleuze bij alle bigotterie (schijnheiligheid) van de Russen.

Wij kennen Tolstoï al zoo lang. En Dostojefsky. Deze Iwan Boenin Is uit hun ziel gekneed en gevormd.

Het boek Is ongetwijfeld een autoblographle (beschrijving van eigen leven). Het laat ons die goedhartige en goedleefsche, roekeloos-llchtzlnnlge dobbelende Fiusslsche landadel zien, waaruit de officieren en regenten, maar als ze tot verval komt ook de kleine ambtenaren voortkomen en de revolutionairen. Niet te vergeten.

De schrijver leidt ons in in zijn huiselijke omgeving. Het landgoed met boerenbedrijven en een dorp, in midden-Rusland. Tenminste aanvankelijk. Want Vader verpandt, verkoopt en verkwist de heele bezitting. Hij moet altijd geld om handen hebben. Veel geld. En de oeconomisch zwakke landbouwbedrijven, door de achterlijke en moejiks bewerkt, kunnen dat niet opbrengen.

Het is: zoo heer, zoo knecht. Is het ook niet één volk, met één aanleg?

De bewoners van het landgoed: de spelende en drinkende vader, goedhartig en zwak, de teedere moeder, die de gedichten van Poeschkin uit het hoofd kent, en ze opzegt voor haar zoon, de broers, gymnasiasten, de kindermeid, die hen inwijdt in de kleurige, toch zoo mystieke vroomheid der Russen en dan Baskakow, die op een goeden avond aan komt waaien, niemand weet van waar, de vreemde man, die een groot deel van Arsenjew’s opvoeding verzorgt. Vooral met poëzie...

Deze Arsenjew, uiterst gevoelig van natuur, een kleine droomer, ontwikkelt zich tot een sphrijver. Deze ontwikkelingsgang is teeder beschreven, met al die fijne toetsen van gevoel, van plotselingen indruk en verwaaiende aandoeningen welke het hart van een jongen dichter kunnen doorzweemen.

Hij heeft ervaringen, schijnbaar nietige, vastgelegd, welke vergezichten openen op zijn ontvankelijke natuur. Wie kent ze niet, die momenten uit zijn kinderjaren? Onvergetelijk zijn ze, onuitputtelijke bronnen van weemoed en vreugde tegelijk. Deze onder woorden te brengen is zijn onvergelijkelijke verdienste. De algemeen-menschelijke verwantschap spreekt' zich hier uit.

De raadselachtige diepten en plotselinge verrassingen der Russische ziel, hij gunt ons er iets van mee te leven, er in te schouwen, met de vreemde beklemming een ander wezen te doorgronden en veel van het eigene te herkennen.

De blaren van de boomen wuiven in Rusland evenzoo als bij ons, en het vogelenlied is ook hetzelfde, maar de Rus aanvaardt

alles, mèt dood en leven en hun wisseling, met een vreemde onbezorgde vreugde, waarin een diepe treurigheid is gemengd. Als een oudere broer, verdacht van revolutionnaire gezindheid, wordt gearresteerd, lees dan hoe Vader zich gedraagt. En als Arsenjew’s paard, het eenige dat er overschoot, en al wat aftandsch en dompig, door zijn eigen roekelooze onachtzaamheid sterft, lees dan zijn smart en hoe zijn Vader hem troost door hem zijn eigen en eenige kleinood aan te bieden: een goed Belgisch jachtgeweer...

Deze Russen, aan lager wal geraakt, verarmd, maar voornaam in manieren en houding, hoe beminnelijk zijn ze, en hoe menschelijk. Met hen gaat een heel bewind te gronde, dat innerlijk voos is en uitgeleefd.

Maar Arsenjew leeft! En hij bemint hartstochtelijk dat oude, arme, lichtzinnige Rusland. Hij is aan zijn grond verkleefd, aan zijn menschen gehecht, zijn historie en taal gudsen door hem als hartebloed.

Van zijn jeugd en eerste ontwikkeling heeft deze droomerige Rus een prachtig boek gemaakt. J. J. MEYER.

Mysferiën

Op den Singel, waar ik woon staan goudenregen, seringen, sneeuwballen in bloei.

De kastanj eboomen heffen hun honderden witte kaarsen.

In het gras is het geel der boterbloemen en het wit der margrieten.

Doch in mijn kamer zie ik bloei en ontluiken vlak bij mij; machtige wonderen van ontplooiing. Knoppen van lisschen, pioenen en klaprozen ontvouwden hun bloemen, alle op eigen wijze.

De lisschen openden hun punten met bladeren, die zich naar drie zijden spreidden: goud, geel of lichtpaars.

De pioenen hadden dikke knoppen, die langzaam gehoorzaamden aan de wekstem van licht en zon. Toen na een paar dagen was elke knop tot een wijde schittering van donkerrood geworden, elk tot een groote tuil. Hoe hadden die tientallen en tientallen van blaadjes ruimte kunnen vinden in die eene kleine knop, hoe hadden die paar kelkbladen al dat roode en wijde kunnen omvatten en beschutten?

Toen openbaarde zich het wonder van de klaproos. Langzaam, uiterst langzaam weken de kelkbladeren vaneen. lets frommelings werkte zich naar buiten, alsof het gekreukt was, in den knel had gezeten. En plotseling op een morgen, toen ik in mijn kamer kwam, toonden zich de bloemen in hun volmaakte schoonheid, ontroerend in hun teederen bouw. Al het frommelige had zich glad gestreken tot een hel rooden wijden beker. Elk der zes bloembladeren droeg een donkere teekening en die beker van fijnheid omsloot het donkere van meeldraden en stamper, een wonder van schoonheid ook. En ik staarde en staarde en dankte voor wat ik aanschouwde.

Was er dan ook niet de bloeiende cactus voor mijn raam, die den ganschen winter zich teruggetrokken had in haar stijve, dikke bladeren?

Een vroegen voorjaarsdag, toen het nog guur was, buiten en binnen, alle planten schenen te slapen, werkte zich aan den rand van de bladeren der cactus, iets naar buiten, dat nog nauwelijks iets anders leek dan een uitwasje van het blad, dat het droeg.

Maar het werd grooter, puntiger, weken en weken lang. Toen werd het bruin, wat

langzamerhand tot rood overging. Het groeide naar het licht, zocht het als bewust. En eindelijk, een zonnemorgen, had de knop zich ontvouwd, met kransen van helroode bladeren, die het witte der lange meeldraden omgaven.

En de bloem was uitgebloeid en de cactus trok zich weer terug In haar stugheid, haar wezen van dikke bladeren, als In Inkeer tot zichzelf om te kunnen groeien en bloeien, weer te mogen openbaren eigen wonder van schoonheid, In voorname rust, In stilte en langzame ontwikkeling.

Ik keek, schouwde, dankte voor wat Ik zag.

Wat werkt er In die bloemen? Wie Is de Macht, die zich In hen openbaart?

Vanwaar de Stem, die hun beveelt te bloeien op den tijd, dat zij het doen? Wie Is de Wetgever, die hun zegt zich te ontplooien, gelijk het gebeurt? Schepper van het heelal, wij kennen U niet, wij zien slechts de wonderen om ons heen, altijd en voortdurend, eiken dag en eiken nacht, In alle jaargetijden, tot zij ons geen wonderen meer lijken, omdat zij er steeds zijn.

En dan is het lente, en alles ontluikt, de oude boom, het grasje, en het bloempje, dat niemand zaaide, alles naar eigen aard, en de bijen gonzen, het zingt van uit alle takken, en van uit het veld stijgt de leeuwerik naar omhoog!

En in ons werkt het wonder van ontroerd te kunnen zien en waarnemen, van stamelend te mogen danken, van ervaren, dat wij deel zijn van de Schepping, waarin de Schepper in de grootsche mysteriën zich openbaart: in het allerkleinste, het allergrootste, in ons zelven.

IDA HEIJERMANS.

De verzegelde deur der liefde, door Pamela Wynne, Amsterdam. Van Holkema en Warendorf N.V. Verschenen in de Society Reeks. Ingen. ƒ 1.90, geb. ƒ2.50.

Van deze romannetjes gaan er 12 in een dozijn. En dat is ruim voldoende. Een liefdeshistorie tusschen een gezelschapsjuffrouw van een Engelsche dame, vertoevende in Rome, en haar uit Indië teruggekeerden neef. Het ligt er alles erg dik op, zooals het prospectus het noemt „boeiend, romantisch en avontuurlijk”. Na veel wederwaardigheden krijgen ze elkaar ten slotte in een „gelukkige ontknooping”. Daarvoor moest neef David zelfs „vermomd als een stokoude tuinman in een kloostertuin doordringen”. Dit alles is niet mis. En voor ƒ 1.90 ingenaaid niet duur. v. K.

Adèle Withof, Vrijwording, 91 bladz. Uitg. De Tijdstroom, Lochem. Ing. ƒ1,75, geb. f 2.25.

Een bundel opstellen, getuigenissen, hier en daar belijdenissen, na de dood van de schrijfster uitgegeven. Hier spreekt een zuivere, ondogmatiese, niet-Christelike religiositeit in een zeer verzorgde vorm, uitingen van een fijn besnaard gemoed, dat geloven moest in goedheid en vrijheid, in stijging der mensheid naar groter samenhang. „Ons leven is een strijd om dit materiaal (afkomst en aanleg) meester te worden, er mede te scheppen een zuivere uitbeelding van ons wezen. In het moment, dat wij onszelf zijn naar den geest beleven wij het wonder van ons éen zijn met het Eéne, het levensprinciep, waarvan het heelal de openbaring is” (blz. 57, 58). Deze zin lijkt mij karakteristiek. Ook anders geaarden zullen in aanraking met het fijne gemoed van Adèle IVithof winst kunnen vinden. Het boekje eert haar nagedachtenis. W. B.

GEBOREN: JOHANNES EENDER

NED. HERV. PASTORIE 24 JUNIE 1934 DE WIEP (Gron.)