is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 44, 04-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland 11111111111111111111 l

De verzoeningscommissaris

De „plotselinge en gewenschte bekeering” van Duitschland in Oostenrij ksche aangelegenheden gelijkt op die van den kwajongen, die met zijn handen betrapt in vaders sigarenkist, uitriep: „Vader, ik kan mijn potlood nergens vinden”. Maandenlang hitst het Duitsche nationaalsocialisme door middel van pers en radio tegen Oostenrijks „beulenbewind”op. Alshet geen gelegenheid meer vindt om springstoffen over de Oostenrij ksche grenzen te smokkelen, worden die door het neutrale Zwitserland gestuurd. De fanatieke schurken— cultuurdragers van den tegenwoordigen tijd —, die vermomd in uniformen van hun politieke tegenstanders op 25 Juli doordringen in de werkkamer van Bondskanselier Dollfuss, hem daar neerschieten als een hond en in zijn stervensuur geneeskundigen en geestelijken bijstand onthouden, beroepen zich in hun angst, als het zaakje misloopt, op den Duifsc/ien gezant en trachten naar Duitschland te ontkomen. Als men te Berlijn nog niet weet, dat het spel verbrod is, juicht het D.N.8.: „Het Duitsche volk in Oostenrijk is in opstand gekomen tegen zijn pijnigers en verdrukkers.” Daarna putten de kranten zich uit in betuigingen, dat Duitschland natuurlijk niets met de zaak te maken had. Gezant Rieth wordt teruggeroepen. En om de wee-makende huichelarij ten top te voeren, benoemt Hitler Von Papen tot zijn „buitengewonen gezant”, om de Duitsch-Oostenrij ksche betrekkingen „weer in normale, vriendschappelijke banen te leiden.” Gelukkig althans is de wereld het schouw'- spel bespaard gebleven, dat de begrafenis van het slachtoffer opgesierd was door die de vertegenwoordiger van de wezenlijke moordenaars had moeten heeten.

Want wel is waar wordt de medeplichtigheid der Duitsche regeering aan de mislukte Oostenrij ksche putsch niet bewézen door het gedrag van Dr. Rieth en evenmin door de aanwezigheid van Hitler in Beieren. Er zijn voorbeelden genoeg van regeeringen, die in der gelijke gevallen opzettelijk niet op de hoogte gebracht waren, om in geval van mislukking des te eerlijker van hun onschuld te kunnen getuigen. Maar schuldig is in elk geval de nationaalsocialistische mentaliteit, die door Hitler gewekt is en die ook hier te lande, god beter’ ’t, zooveel aanhangers en bewonderaars gekregen heeft. Het klink zoo roerend, om te verkondigen, dat volksbelang boven individueel belang gaat. Maar bedenkelijk wordt het reeds, wanneer op de vraag: „wie maakt uit wat algemeen volksbelang is?” het antwoord komt: „de leider der nationaal-socialistische partij!”, omdat nu ieders ethische en godsdienstige bedenkingen het zwijgen wordt opgelegd door een macht van buiten, die blinde gehoorzaamheid eischt. Er kan dan al geen sprake meer zijn van hooge zedelijke normen en Goddelijke Gerechtigheid, die in iemands geweten ver boven partij- en nationale belangen behooren te tronen. Alle moraliteit evenwel wordt onder de voet geloopen door een met bloedige gewelddaden dreigende propaganda, die het voortdurend pleegt uit te bulderen, dat „het beter is dat enkelen sterven, dan dat een heel volk lijdt”, en „dat voor het heil der natie alles geoorloofd is.” In zijn opkomst heeft het Duitsche nationaal-socialisme overvloedig met den politieken moord gedreigd; sinds het aan de macht gekomen is heeft het zijn dreigement rijkelijk volvoerd. En wel is het te hopen, dat door de

bloedige gebeurtenissen van 30 Juni en 25 Juli velen genezen zullen van hun sympathie voor het fanatisch extremisme, maar te verwachten is dat toch niet. Immers dergelijke gevoelsafdwalingen breiden zich niet uit door overreding, maar door besmetting, ook in dien zin, dat zij bij hun tegenstanders licht een mentaliteit kweeken overeenkomstig aan de hunne.

Inmiddels lijkt de beteekenis van Von Papens benoeming nog wel wat verder te gaan dan enkel „doen of je neus bloedt”. Er is een voorstelling, die zegt: nu heeft Hitler zijn verlies genomen. De rare manier, waarop Von Papen sedert 30 Juni eigenlijk nog slechts een aanhangsel van zijn kabinet vormde, te gelijker tijd beëindigende, is hij tevens de mogendheden vóór geweest bij het inwilligen der eischen, welke vooral Italië op het punt stond hem met gebalde vuisten te stellen. Zooals hij verleden jaar zijn buitenlandsche positie ontzaglijk heeft verbeterd door het opgeven van zijn „nationaal program” tegenover Polen, zoo heeft hij datzelfde nu gedaan tegenover Oostenrijk. De Toestand-redacteur van de N.R.C. schrijft: „Hitler heeft nu zijn diepste, zijn heiligste, feitelijk ook zijn laatste nationale ideaal losgelaten”: terwille mischien van leeningen of handelsverdragen, die hij bitter, bitter noodig heeft.

Arme Hitler! Voorloopig is het ons echter nog een beetje moeilijk, den man te zien in deze nieuwe rol van eerlij k-berouwvollen zondaar en met belangstelling nemen wij dus kennis van een andere voorstelling, die wij in een Oostenrijksch blad „Die Stunde” aantroffen. Er wordt daarin de aandacht gevraagd voor het feit, dat de ongebruikelijk-overhaaste benoeming van een nieuwen gezant zonder aan de regeering van het land waarbij hij geaccrediteerd wordt te vragen, of tegen die benoeming ook bezwaren mochten bestaan, Oostenrijk tegenover Duitschland in een uitzonderingspositie plaatst. Vooral echter zou zulks het geval wezen door de ongehoorde omstandigheid dat Von Papen in zijn nieuwe functie niet onder den minister van buitenlandsche zaken Von Neurath, maar „direct onder Hitler geplaatst” zou wezen. De „Prager Presse”, het orgaan van Dr Benesj, maakt hieruit zelfs de gevolgtrekking, dat Von Papen met zijn bekende relaties in Oostenrij ksche legitimistische en katholieke kringen, in Weenen „een soort stadhoudersrol” zou moeten spelen en dat „de nog niet benoemde opvolger van Dollfuss hand in hand met den Roomschen staatsman Von Papen” moet gaan.

Natuurlijk zal de toekomst moeten leeren, of de zaken zoover zullen gaan, maar zeker lijkt in ieder geval wel, dat de positie van de Weensche regeering na den dood van Dollfuss veel zwakker geworden is. De nationaal-socialistische staatsgreep heeft slechts kunnen plaats hebben, doordat deze partij tot in de allerhoogste kringen zooveel sympathieën bezat. De eigenaardige houding in Dollfuss’ sterfuur ingenomen door Minister Fey, die de bemiddeling van Dr. Rieth heeft ingeroepen, moet zeker niet alléén aan lafhartigheid worden toegeschreven. Symptomatisch is, dat „Die Stunde” onmiddellijk na haar loslippigheid verboden is, al is de missie-Von Papen op het oogenblik dat dit opstel geschreven wordt nog niet door de Oostenrij ksche regeering geaccepteerd. De troepenconcen-

traties aan de Italiaansche grenzen worden dreigend. Frankrijk en Engeland trekken zich van „Oostenrijks onafhankelijkheid” veel minder aan, omdat hun een scherpe Duitsch-Italiaansche spanning waarschijnlijk uitermate gelegen komt, maar Mussolini’s pers gaat voort te dreigen met gewapende interventie, wat vermoedelijk bewijst, dat de kans op een Duitsch overwicht in Weenen ondanks Hitlers „inbinden” nog gansch en al niet van de baan is.

Voor de opvatting van de Nieuwe Rott. is intusschen ook wel wat te zeggen, maar wij zullen ons niet verder wagen aan het verleidelijke spelletje om bovenstaande tegenstrijdige voorstellingen met elkaar in overeenstemming te brengen. Er is n.l. nog een derde mogelijkheid. In het laatste nummer van Das Neue Tagebuch heeft ons een artikel gefrappeerd van een anonymen te Berlijn geaccrediteerden buitenlandschen diplomaat, waarin allerhande mededeelingen gedaan worden, dat sedert eenige maanden onder de kopstukken der nationaal-socialistische regeering in Duitschland de grootst denkbare verwarring heerscht. Op de vraag of het geen tijd werd het Derde Rijk onderste boven te werpen had een collega zelfs geantwoord: „Nein, dass muss sich ganz zu Ende stinken!” En nu vragen wij ons af, of wij in Hitlers nieuwe ruk aan het roer wel iets anders hebben te zien dan de „daad” van een overspannen stuurloozen stumper.

Onverwachte, onberekenbare gevoelsreacties passen volkomen in het systeem van spel-zonder-regels, dat hij nu al j aren ten bate van volk en werelddeel ten toon stelt. Buitenlands en binnenlands staat hij voor een wanhopige situatie. De heele Duitsche textielnijverheid heeft haar arbeiders een vierde van de werkweek gedaan gegeven: wegens gebrek aan grondstoffen. In dergelijke situaties geeft hij zich over aan de eerste de beste despotengril, zooals hij nu ruim een maand geleden den homosexueel, aan wien hij anderhalf jaar lang „in onbeperkt vertrouwen” de vorming van het „puikje der Duitsche jongelingschap” opgedragen had, volkomen ongemotiveerd liet fusilleeren. Op dezelfde „spontane”, „intuïtieve”, „demonischbezeten” manier heeft hij nu „het offer van zijn diepste, zijn heiligste ideaai” gebracht. Redt hij er de situatie mee, uiterlijk althans? Wij zullen zien. De verraden Oostenrij ksche ballingen, Habicht en de rest, gaan de rijen der teleurgestelde S.A.- mannen versterken. Of wel „het Oostenrij ksche legioen” men herinnere zich dat het reeds eerder z.g. „naar het binnenland teruggetrokken en ontbonden” was wordt enkel maar tot „Oostenrijksch vluchtelingenkamp” omgedoopt.

En „vriend” Von Papen, die „steeds (Hitlers) onbeperkte vertrouwen bezeten heeft en nog bezit”? Tot nu toe was hij de gevangene van het nationaal-socialistische kabinet. Nu krijgt hij de vrijheid en een steunpunt buiten Duitschland. Het lijkt mij uitgesloten, dat Hitler hèm de wet zal stellen, maar mogelijk dat het omgekeerde gebeuren zal. Zal Europa hem in Weenen accepteeren, om hem tegen Hitler als reserve te gebruiken, als hefboom om in de langzamerhand zeer breede voegen van het Derde Rijk gestoken, dit door wrikken tot barsten en eindelijk tot ineenstorten te brengen? 30 Juni Roehm, 25 Juli Dolifuss. De duivel roept: wie volgt?

J. S. BARTSTRA.