is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 48, 09-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A! bruist het wilde meer...

Johannes 6:16—21. Bij het vallen van den avond daalden zijn leerlingen naar de zee af, scheepten zich in en voeren de zee over naar Kapemaüm. Het was reeds donker geworden, en Jezus was nog niet bij hen gekomen: de zee was onstuimig, daar het hard woei. Toen zij ongeveer een uur ver waren gekomen, zagen zij Jezus op de zee gaan en het schip naderen. Zij werden zeer bevreesd; maar hij zeide tot hen: Ik ben het; vreest niet. Toen zij hem dan in het vaartuig wilden opnemen, was het dadelijk aan land, juist daar waarheen zij wilden gaan.

De leerlingen waren in hun bootje op het onstuimige meer. De storm haalde aan, de hemel was al donker. Wat is er minder veilig dan zo’n klein schip. Het wordt omgeven door de geheimzinnige diepte en wie kent alle stromingen en onderstromingen, alle klippen en bodemloze kolken? en door de nog onpeilbaarder hemelen en welke ervaren schipper durft zich daarmee vertrouwd te noemen?

Een scheepje in de storm is wel waarlijk een speelbal van de elementen. Men voelt er zich los van de goede, bekende aarde, van eigen afkomst en doel.

Christus op het meer Rembrandt

Zo danst dan Europa op de golven van dit getij. Soms vermoeden wij iets van wat er in de diepte werkt, of wij herinneren ons hoe deze reis begonnen is, maar zo’n vleug van inzicht verheldert de situatie niet. Wie begrijpen wil, zal moeten toegeven dat ons kennen ten dele is, en juist de onbekende factoren sturen al wat wij zo stellig meenden te weten in de war. Ergens tussen hemel en aarde worden wij heen en weer gesmeten. Het gekrakeel over verkeerde manoeuvres en over de te bereiken landingsplaats is verstomd. Men klemt zich vast aan het laatste restantje vastigheid, dat het schip is, en laat zich smijten, „want Jezus was nog niet bij hen gekomen.”

Wij willen het beeld niet te ver uitspinnen. Zo juist heeft Engeland de oorlog verklaard. ~De volgende oorlog”, waarvan wij twintig jaar lang weigerden te spreken, is begonnen. Als kinderen leerden wij uitzien naar „de vrede”. We stelden ons daarbij een groot feest voor en daarna zou alles „gewoon” zijn, d.w.z. genezend, groeiend, vreugdig.

Maar het feest is nooit gekomen en we weten nu ook wel, dat de oorlog niet als een boze vergissing txissen „gewone” tijden ligt. De mogelijkheid van oorlog is slechts een symptoom van dieper liggende kwalen, algemeen menselijke en maatschappelijke. Hoe dan ook, wij zijn in de positie van benarde schepelingen.

maar zie het Geloof wandelt over de onstuimige golven als over een effen pad. Hoe is dat mogelijk? Of: welke zin ligt er in dit verhaal? Het is, dunkt mij, alsof wij een afdruk zien van een tweemaal gebruikte fotografische plaat. Waar het geloof, de eeuwigheidsmens, een rechte vlakke weg ziet en bewandelt, daar wordt de tijdelijke mens her en derwaarts geslingerd. Uit de oneindig rijke werkelijkheid treffen hen totaal verschillende trekken, zodat de beelden, die zij zich van diezelfde werkelijkheid vormen, geen gelijkenis vertonen. M.a.w.: waar Jezus zijn smalle rechte pad volgt, daar zien zich zijn leerlingen bedreigd door het geheim van de duisternis en de woelige zee.

Zou dat niet komen, doordat voor den tijdelijken mens het ik centraal staat en voor den volstrekt gelovige het Doel? Vragen wij niet in elke situatie allereerst: hoe staat het met mijn veiligheid, met de veiligheid van mijn gezin, van mijn volk? Hoe staat het met mijn of ons bezit? Hoe staat het met mijn rust? Zo ja, dan dobberen wij altijd in een onzeewaardige hulk boven en onder de afgrond, dan zijn wij steeds bedreigd en angstig.

In de Christusfiguur der evangeliën frappeert het volkomen ontbreken van deze zorg voor de eigen dierbare persoon (het messiaanse zelfbewustzijn kan hierbij buiten beschouwing blijven). Daar komt het aan op grotere belangen : wat is Gods wil met deze wereld, wat is het haar ingeschapen doel? welk werk daarin is mij toebedeeld? hoe moet ik dat aanpakken? Geen reis is doelloos, geen reis wil eigen lijf of goed redden, nee, elke tocht wordt aanvaard in dienst van een zeer bepaald werk. Daar effenen zich de paden.

Och, dat zal wel. Maar wij hebben al broodkaarten en wij moeten zien een ochtendblad te krijgen, wij willen weten of onze zoon of onze broer behoorlijk is ingekwartierd. Wij worden in de ik-zorgjes gedreven en daarmee in de bedreiging en de angst. Ook de discipelen zagen geen uitweg. Toen kwam het geloof tot hen. En zij beseften: waar voor ons slechts de afgrond gaapte, daar kunnen mensenvoeten rustig gaan, op het doel af. Ze verzamelen een moed, die voor kleine mensen heel bijzonder is, ze willen het wagen met dat geloof: ze zullen Jezus binnen boord halen. Maar zie, zodra ze dat aandurven, overwint zijn werkelijkheid de hunne. Ze staan aan de kust, het doel is bereikt. Jezus beklimt het schip niet, maar zij stijgen uit de angstigste stap van een mensenleven en staan mèt hem op vaste grond. Goddank, ja Gode dank, het gebeurt nog altijd, dat mensen dit wagen, dat het Werk de eigen-

liefde in hen begint te verdringen. Waar dat gebeurt, wordt het gezangvers waar: Gij zult ook wegen vinden, waarlangs mijn voet kan gaan.

Jan Luyken spreekt van de „rust”, die alle vrees overwint, maar deze rust kan nooit ijdele leegte, slechts rustige arbeid zijn, arbeid, die in zijn uiteindelijk doel Gods vrede ontmoet. Ik heb mij laten vertellen, dat het vliegtuig door wolken en mistlagen heen kan stoten en in de duisternis zijn haven vinden, wanneer het draadloos contact heeft met die haven.

Men zegt ons, dat Rathenau in zijn laatste levensdagen met het einde voor ogen rustiger, blijder werkte dan ooit te voren. Was daar ook sprake van contact met de haven?

Wij weten ons op het onstuimige meer of moderner in dichte mist, maar als wij het durven wagen met het geloof, zullen wij, ondanks alles, de vaste grond onder de voeten voelen, dan zullen wij ons plotseling blijken te bevinden juist op die éne plek, waar het werk wacht, waar ons werk beginnen mag zelfs op de derde September 1939.

F. KALMA—KOOPS,

Al ruischen al de wouden.

Al bruist het wilde meer. Al beeft het al van donder.

Al straalt de bliksem neer: Mijn hert blijft zonder vreezen In zijn wezen.

Het kan ons niet verschrikken. Al wat van buiten woelt;

Wanneer men maar van binnen De schoonste ruste voelt:

Die schoonste rust van binnen Kan ’t verwinnen.

Als Jezus zich in ’t herte Te ruste heeft gezet. Laat eens een onweer komen, Dat deze rust belet:

Al ’t kwaad versmelt in vreezen Voor zijn wezen.

O, menschen, woudt gij leeren, Waarin uw heil bestaat:

’t Is hierin, dat gij weelde En aardsche rijkdom haat. En dat gij tracht te winnen Rust van binnen.

JAN LVV KEN.

Gedachten aller tijden

De Duitse filosoof Johann Gottlleb Fichts heeft eertijds gedachten neergeschreven, die men de Duitse „cultuurdragers” van heden gaarne onder het oog zou willen brengen.

In het jongste nummer van het ~Zeitschrift für freie deutsche Forschung” vinden wij onder het hoofdstuk: „Deutsche Denker der Vergangenheit über Fragen der deutschen Gegenwart” de volgende citaten van Fichte:

„Neen, volkeren der aarde! Doe van aUes afstand, alleen niet van de vrijheid van denken! Gij wilt uw zonen ten strijde laten trekken, om te vechten tegen mensen, die hun nimmer iets misdeden; gij ontrooft het hongerige kind zijn laatste stuk brood en geeft het den honden...

Laat alles vallen, slechts niet uw vrijheid van denken, de enige waarborg, dat u nog een ander en beter lot wacht dan dulden, dragen, vermorzeld worden.

Wij weten niet, wat nodig is voor ons geluk. Als de vorst het weten zou, en hij er is om ons tot het geluk te leiden, dan moeten wij blindelings onzen Führer volgen; maar waarop komt het neer?

Hij doet met ons wat hij wil, en wanneer wij hem vragen stellen, verzekert hij ons op zijn woord, dat alles wat hij doet nodig is voor ons geluk. Hij legt de mensheid de strop om de hals en roept: stilte, stilte! Het is alles voor je bestwU.”