is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 17, 20-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Franse lessen in democratie

Er is misschien geen stelsel, waarin de spanning tussen theorie en praktijk, tussen beginsel en toepassing zo geweldig is als in het Rooms-Katholieke. Dit blijkt misschien niet altijd even scherp in een land als het onze, waar de kerk de gelovigen strak georganiseerd houdt en afwijkende meningen nauwelijks kans krijgen op de geschikte plaats geformuleerd te worden. Helder kan men dit zien b.v. in Frankrijk. Er is daar altijd een groep overtuigde Roomse schrijvers geweest, die opkwamen met al de hartstocht van een fier gemoed, tegen de verschillende vormen van tactiek, waarmee de heiligste beginselen bijgeslepen werden om practisch hanteerbaar te zijn. Men hoeft niet terug te gaan tot het verzet van Pascal tegen de casuïstiek der Jezuïeten, maar men kan herinneren aan drie grote namen uit de negentiende eeuw, en ieder die thuis is in de Franse letterkunde herinnert zich het smartelijk verzet tegen alle laffe vormen van compromis, uitgesproken door Ernest Hello, Léon Bloy en Charles Péguy. Het blijft voor den buitenstaander telkens weer een raadsel, waar de katholieken blijven, als hij kennis genomen heeft van hun prachtige beginselen. Vooral de gelovige socialist kan in hun maatschappijleer een onvermoede rijkdom aantreffen, als hij' maar niet teveel omziet naar de aarzelende verwerkelijkingen, die de eerste dragers der beginselen vertonen.

In het huidige Frankrijk is er wellicht geen die scherper het contrast tussen beginsel en praktijk heeft aangeklaagd dan George Bernanos. Ook in zijn romans is de ondertoon een diepe teleurstelling over de aanwezigheid van het kwade in het Heiligdom, maar scherp en onomwonden heeft hij zijn inzichten, tot ontstelling der „weldenkenden” gepubliceerd in een serie boeken, die om de heftigheid van hun toon soms de naam van pamflet verdienen. Voor zijn laatste geschrift „Nous autres Francais” vragen we hier de aandacht. Hij heeft de Spaanse gruwelen te Majorca meegemaakt. Hij heeft aanschouwd, hoe daar door de. zwartste reactie afzichtelijke moordpartijen zijn gehouden onder onschuldige mensen, die maar één misdaad bedreven hadden, n.l. ze waren lid geweest van rode organisaties, ze hadden deze gesteund of er mee gesympathiseerd.

In een voorgaand boek heeft hij ervan verteld, hoe benden van Franco en Italiaanse troepen deze mensen zonder vorm van proces hebben af geslacht, maar wat zijn verontwaardiging gaande maakte was het feit, dat vooraanstaande Roomse geestelijken en hooggeplaatste Roomse leken deze aanslagen goedkeurden, ja aanprezen. Hij heeft het nooit meer kunnen verwerken. Hij zag de kerk de zijde van Franco kiezen en diens strafexpedities zegenen. Van hieruit won hij inzicht op de taktiek der kerk en haar strategie. Hij keek eens rond in zijn vaderland en zag daar, wie de partij van Franco gekozen hadden, en weer leerde hij iets over de z.g.n. rechtse katholieken. Dan schrijft hij zijn laatste en felste boek. Het staat niet fraai zich te vermeien in familietwisten en niet hierom dus vertellen we een en ander over dit werk om te laten genieten van het schouwspel, hoe Roomsen Roomsen aanklagen. Maar we geloven, dat hier met helderziendheid aangetoond wordt in een concreet voorbeeld, hoe een kortzichtige taktiek de edelste beginselen kan ontwrichten, hoe ieder Christen van deze tijd belaagd wordt door een afzichtelijk pharisaïme, als hij met zijn principen geen ernst maakt, maar ze aanpast aan de tijdgeest, hoe tenslotte het conflict Christendom (of kerk) en socialisme een schijnconflict is, waarvan de tragische gevolgen op rekening komen van die leiders, welke miskenden dat de socialistische kreet om rechtvaardigheid evangelisch was. Ergens spreekt Bernanos de leidende kerkelijke kringen aldus aan: „Gij veroordeelt de klassenstrijd. Ik ben het met u eens: ik veroordeel ze ook, maar ik moet evenwel de opmerking maken, dat ze nochtans bestaat en dat gij' over geen een krachtdadig middel beschikt om er meteen een einde aan te maken. Welnu de vraag is: werklieden of werkgevers, kunnen

zij rekenen op de mensen, waarover gij een streng gezag voert, ja of neen? Wanneer ge de mensen opgeroepen hebt voor een rechtvaardige zaak, voor een rechtmatige eis, behoudt ge u dan evengoed het recht voor om ze plotseling weer te ontwapenen, in naam van de tucht, als de onderdrukker u stérk genoeg lijkt om met hem te onderhandelen. De Franse Jocisten (Jonge Franse katholieke arbeiders) hebben, zo dunkt mij, het recht antifascist te zijn evengoed als heel veel jonge priesters, die hun leiding geven. Maar als nu de fascistische revolutie eens de overhand krijgt, en gij met deze mensen een verdrag afsluit, zullen dan de Jocisten hun kameraden in de steek moeten laten en kalmweg moeten aanzien, dat ze gefusilleerd worden, zoals in Spanje?” Men zal moeten toegeven, dat hier op den man af een vraag gesteld wordt, die ons allen aangaat en nog veel ruimer gelding heeft, dan Bernanos er aan. geeft. Laat men zich nog even de situatie in Duitsland vóór Hitler te binnen brengen. Socialisten en katholieken vechten hun laatste strijd tegen het aanstormend nationalisme, maar op de dag na de overwinning tekent de kerk een concordaat met Hitler en beveelt haar onderdanen diepste instemming met het nieuwe régime aan, dat op gruwelijke wijze wraakneemt op zijn vroegere bestrijders. En toen Schussnich viel in de strijd voor Oostenrijk en voor zijn kerk, tekende kardinaal Innitzer een welkomstbrief met „Heil Hitler”. Telkens weer ziet men de kerkelijke bemoeiing de politieke activiteit der katholieken doorkruisen. Dat maakt hun bondgenootschap zo’n onbetrouwbaar ding. Hier zien we ze vandaag samenwerken met de S.D.A.P., maar alvast weer omzien naar herstel der coalitie en geen scherp verweer tegen de N.S.B. kan garanderen, dat als Mussert aan de macht is, het eerst van allen de Nederlandse kerkelijke overheid toe zal treden om hem de gepasted) hulde te brengen. Bernanos vraagt dan ook „Buiten dogma en moraal heeft het ere-woord van een Christen (bedoeld is een R.K.) nog wel waarde? Hoort het hemzelf toe, of hoort het de leiding der kerk toe?” En hij haalt een klein, maar tekenend voorbeeld aan, dat ik me goed herinner.

Op zekere dag verscheen een pittig Frans weekblad, geleid door eminente Franse katholieke leken (Maritain e.a.). Het heette „Sept” en beloofde aan zijn abonné’s een oprecht christelijk getuigenis te geven. Het was nog al links en had de euvele moed zelfs een interview af te nemen aan Léon Blum. Dat was voor bepaalde kerkelijke kringen te kras en er gingen invloeden aan het werk: de geestelijke overheid gaf te kennen, dat het blad ze zeiden niet veroordelenswaardig was maar dat het in de gegeven omstandigheden niet wenselijk was. En „Sept” verdween! Maar wanneer ge zoudt denken, dat een dergelijke gehoorzaamheid zo hoont Bernanos ten voorbeeld zou gesteld worden, dan hebt ge het mis.

De gehoorzaamheid werd gecamoufleerd met een leugen. Het weekblad heette te verdwijnen gebrek aan de nodige fondsen. Aldus verschafte de geestelijke overheid zich een alibi.

ledereen zal wel verstaan, dat bij een hechte opbouw van de democratie men met dergelijke gegevens rekening moet houden. In deze zelfde rubriek hebben we volle waarde gegeven aan de constructieve beginselen van Franse katholieken over de idee der democratie, maar men doet goed ook kennis te nemen van de Roomse tactiek. En dan telt mee het bitse woord van Bernanos „Waartoe dient het de vrede aan te prijzen, als men telkens weer de overwinnaars kroont”? RENÉ.

Abonneert U op Tijd en Taak

Oorlogsgedachten

In één der laatste nummers van „De Stem” heeft dr. M. van Blankenstein, schrijvende over de bloedige ondergang van Polen, de opmerking gemaakt, dat het wel eens zou kunnen blijken, dat de Poolse regering met haar verzet tot-het-uiterste, dat Polen en vooral Warschau zoveel leed heeft gebracht, voor de toekomst van het Poolse volk méér goed zou hebben gedaan, dan de Tsjechische regering Hacha, toen deze in Maart van het vorig jaar Bohemen en Moravië zonder militair verzet aan de Duitsers overgaf. Het is een vraag, die meerderen zich zullen stellen en die, kort geformuleerd, zo luidt: Is een regering verplicht om, wanneer verder militair verzet menselijkerwijze toch geen resultaat kan hebben, toch weerstand te blijven bieden en daarmee leger en burgerbevolking aan een afschuwelijke slachting bloot te stellen? Men kan twisten over de vraag of het geval zó lag bij de gehele Duits-Poolse oorlog, men kan er niet over twisten, dat dit de situatie was bij de verdediging van Warschau in de laatste dagen.

De opmerking van dr. Van Blankenstein suggereert, dat deze strijd tot het bittere einde misschien wel nodig was voor het behoud van het zelfrespect, nu en vooral in de toekomst, van het Poolse volk. Het gaat hier om hetzelfde, wat men dikwijls uitdrukt met de wijdser klinkende maar in wezen meer romantisch-versluierende uitdrukking: „de eer van een volk”. Als men immers zegt, dat iets geëist wordt door de eer van een mens of een volk, bedoelt men, dat daarzónder die mens of dat volk een verminderd zelfrespect zouden hebben. Nu is, zoals bekend, het zelfwaarderingsinstinct één van de sterkste drijfkrachten in den mens. Het object, waarop dat instinct zich richt, m.a.w. de zaken, die een mens nodig heeft voor zijn zelfwaardering, zijn in de practijk zeer verschillend. De eer van den een eist, dat hij vele actes haalt, die van den ander verzet zich tegen het dragen van een oudmodische hoed, en van een derde is het „zijn eer te na” om een partij ping-pong te verliezen. Kortom, waar de eer verschijnt, verdwijnt meestal de rede èn de innerlijke vrijheid van den betrokkene. Er komt dan iets krampachtigs, iets instinct-gedwongens in hem. Want het is ook een bekend verschijnsel, dat de behoefte aan zelf-waardering zich vooral daar uitdrukkelijk en als zodanig openbaart, waar de zelfwaardering lang of sterk geknot is. De behoefte aan zelfwaardering neemt meestal daar haar meest uitgesproken vormen aan, waar de mens twijfel aan eigen waarde, waar hij zich innerlijk on-waardig of gering-waardig acht. Het eerbesef geeft dan ook meestal aan wat men eigenlijk niet is, maar juist graag zou willen zijn en wat men daarom wU schijnen. Vandaar dat eer „teer” is: wie de eer van, een ander ook maar een strobreed in de weg legt, roept terstond een woedende stroom van instinctieve kracht op.

Als we dit inzicht toepassen bij het begrijpen van de „eer van een volk” een nog onklaarder begrip! dan is wel duidelijk, dat het eer-begrip vooral dan in een volk een rol gaat spelen, wanneer er een sterk collectief minderwaardigheidsgevoel bestaat. Vandaar bijv., dat tegenwoordig vooral de dictatoriaal geregeerde landen een sterk eerbesef hebben. Het is nu eenmaal een van de eigenaardigheden van een democratie, dat zij haar burgers een sterk besef van trots geeft. De democratie bevredigt niet alleen het zelfwaarderingsinstinct van den eenling, doordat ze hem tot „burger” maakt, maar ze geeft de burgers gezamenlijk ook een eigenaardig gevoel van gezamenlijke waardigheid. Ze bevredigt dus het nationale zelfwaarderingsinstmct binnenslands. Daarvoor is de democratie lang genoeg als h e t doel der Europese staatsontwikkeling geponeerd en gepropageerd. Maar juist d&t geeft de huidige dictatoriale staten een minderwaardigheidsgevoel, dat leidt tot de bekende felle „eer”- complexen, die alleen door oorlog en heerschappij over anderen worden bevredigd.

Keren wij terug tot de vraag, waar het om ging: eist werkelijk de „eer” van een volk, dat ook in een volkomen uitzichtloze strijd tot het bittere einde verzet wordt geboden? Dan zal allereerst de opmerking moeten worden ge-