is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 14, 05-01-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEMOCRATIE

IN HET DAGELIJKS LEVEN

In de vorige wereldoorlog klonken daverend In de landen der geallieerden en In de neutrale staten leuzen als: dit Is de oorlog vóór de democratie, the world safe for democracy, democratie contra autocratie, enz. De Ironie van de geschiedenis heeft echter gemaakt, dat juist In en na deze oorlog en uit de naweeën ervan zijn geboren de, alle democratie wegvagende, totalitaire stelsels van communisme, fascisme en natlonaal-soclallsme, al zijn wij niet blind voor de mogelijkheid die wij echter nog moeten afwachten! dat In het communisme democratische tendenzen zijn gelegen, die later wellicht zullen blijken van vérstrekkende betekenis te zijn.

De jaren tussen de belde wereldoorlogen waren geen goede jaren voor de democratie. Het woord kreeg een slechte klank, de zaak zelf raakte eveneens In dlscredlet. Wij zagen zeer helder de moeilijkheden der democratie, haar fouten, haar gebreken, haar zwakke plekken, haar machteloosheid om snel In te grijpen, om rotte plekken uit te snijden, om groepsegoïsme In te tomen.

Toen kwam de tweede wereldoorlog. De roemrijke democratie zakte Ineen, werd In de bezette landen voor jaren op zij gezet. En toen zagen wij duidelijk In, toen voelden wij smartelijk: wij kunnen die democratie niet missen. Zij Is vlees van ons vlees. Zij Is als de lucht voor onze longen. Wij stikken In de sfeer van terreur, splonnage. Intimidatie en het gebral van zich zelf op een voetstuk stellende ~leiders.” Geef ons de democratie terUg maar dan gereinigd, gelouterd, gesterkt! Zo werd de tweede wereldoorlog een vagevuur voor de democratie.

En nu deze beproeving achter de rug is door sommigen al vergeten! —nu wij al enige desillusies hebben moeten slikken, nu zetten wij toch de tanden op elkaar en herhalen: geef ons de democratie, verjongd! Geen democratie als afgod, als pseudo-religie, maar zakelijk, nuchter, met het scherpe inzicht, dat democratie slechts een middel, maar dan ook een onmisbaar middel is: de institutionele versteviging en uitbouw van de democratische organen. En dan zien wij bergen werk voor ons: een partijenstelsel tot stand te brengen, dat breekt met verouderde motieven en tradities, dat vruchtbaar zal werken voor nu en de toekomst; een kiesstelsel, dat spreekt tot de verbeelding; een regering, die krachtig leidt en gedragen wordt door de sympathie en medewerking van het gehele volk; een parlement, dat controleert en instigeert, dat een afspiegeling is van het volk in al zijn geestelijke en sociale schakeringen, maar nimmer uiteenvalt in afzonderlijke groepen, die zich niet verantwoordelijk voelen voor het geheel. En dan de verdere uitbouw: democratisering van de bureaucratie, van de rechterlijke macht, van de diplomatie. En vooral sociale democratie naast de politieke: medezeggenschap voor arbeiders en consumenten, ordening van het bedrijfsleven, socialisatie, alles waar het nodig, mogelijk, verantwoord is.

Ik ben diep doordrongen van de noodzaak van deze Institutionele uitbouw van de democratie. De komende jaren zullen politiek In dit teken staan. Als alles op de wereld heeft de democratie haar risico’s. Democratie wordt al doende geleerd. Geef de mensen een stuk verantwoordelijkheid en geef ze de tijd die te leren dragen. In vele «gemeenteraden zitten nu arbeiders. Een aantal daarvan doet het werk uitstekend. Boeren hebben de „heren”-grondbezltters voor een belangrijk deel vervangen In de polderbesturen en de zaken marcheren er niet slechter door. Een ultgebreld net van verenigingen: ontspannlngs-, ontwikkelingswerk, vakbonden, coöperaties enz. wordt plaatselijk geleld door arbeiders, kleine middenstanders, boeren en het resultaat Is een sterk gegroeid verantwoordelijkheidsgevoel, organisatievermogen, Inzicht. Ik sta dus optimistisch tegenover de mogelijkheden, die verdere institutionele verwezenlijking zal geven. En toch....

Ik neem geen woord terug van de noodzakelijkheid van alles wat hierboven werd betoogd. Maar toch meen Ik duidelijk te zien: bij alle Institutionele scheppingen Is primair de verdieping van de democratische gezindheid. Niet primair In de zin van tijdsvolgorde: wij zullen met de eerste niet moeten wachten tot de tweede geheel Is verwezenlijkt. Wel primair In de zin van belangrijkheid. Hierover wilde Ik wat zeggen.

Is ons Nederlandse volk democratisch? Als we daaronder verstaan het opkomen voor eigen rechten: en of! Bedoelen wij er mee het, in theorie, erkennen, dat onze naasten als wij zelf kinderen van God zijn, of, humanistisch gezegd, dragers van dezelfde waarden zijn, dan kan, voor een belangrijk deel van ons volk, het antwoord nog bevestigend zijn. Menen wij er echter mee: leder mens zijn kansen en rechten gunnend, of, wat hetzelfde is: doordrongen zijn van eigen plichten en verantwoordelijkheid tegenover den naaste, verstaan wij er onder: leder mens te behandelen zoals dat In een ware gemeenschap behoort, d.w.z. als mens, niet als een nummer, niet snauwend of minzaam neerbuigend jegens den mindere, niet kruiperig jegens den meerdere, niet krampachtig vasthakend aan de gebondenheid van stand, klasse, groep, coterie, niet deftig maar gemoedelijk, niet brutaal maar open en vrijmoedig dan meen Ik voorzichtigheidshalve nog maar een vraagteken te moeten laten staan.

De feodale structuur, de Middeleeuwse standenmaatschappij, Is al heel vroeg In ons land verdwenen, althans In het Westen. De invloed van de adel Is bij ons gering, vergeleken bijv. met Duitsland of Engeland. Wij zijn een burgerlijk volk, met een overwegend stedelijke mentaliteit, al vergeten wij te veel de belangrijke uitzonderingen, de agrarische zandstreken vooral. En toch, al maakte de stadslucht bij ons al vroeg vrij, wij zitten stikvol met standsverschillen. Gehuwde vrouwen heten

bij ons: vrouw, juffrouw of mevrouw. Je kunt je werkvrouw getrouwde vrouw met kinderen toch geen „mevrouw” noemen! Maar waarom Is het „Madame” en het „Mrs.”, voor hoog en laag, niet belachelijk? Wij zijn het land van „je” en „u.” Wat „hoog” staat of zich hoog voelt, zegt „je” tegen wat „laag” staat, maar verwacht vanzelfsprekend „u” als antwoord: de jonge leraar tegen den vergrijsden amanuensis, de jonge chef tegen den conciërge, vader van volwassen kinderen. „Agent, kan je me ook zeggen ”, „Conducteur, heb je ook terug van ”, „Kellner, wat ben Ik je schuldig? ” Wij zijn het land van de dwaze titulatuur, van weledelgeboren en weledelgeleerd en zeergeleerd en hooggeleerd. Zouden wij niet verstandig doen, daar nu maar eens eindelijk mee op te houden? Zouden wij niet zo kies kunnen zijn om op te houden met het tutoyeren van een ondergeschikte, die onze vader zou kunnen zijn?

Wij zijn het land, waar de dienstbode In de keuken eet. En den verloofde neen, wij zeggen den „vrijer” laten wij In het portiek staan. En wij kijken zuur, wanneer het „daghltje” ook eens een avond wil vrij hebben. En dan klagen wij steen en been, wanneer die ~melden” liever naar fabriek of atelier gaan en het huishoudelijk werk zo weinig In trek Is, ook al betalen wij „hoge” lonen. Wij schijnen niet te begrijpen, dat de verschillen In levenssfeer nog groter worden, als wij niet meer samenleven. In vele boerenstreken zit het vaste personeel nog aan tafel, Is huisgenoot. De diepe kloof tussen boeren en landarbeiders In het Oldambt Is ontstaan In het begin van de 19e eeuw, toen de boeren welvarend werden, ruimere woningen lieten bouwen en het dienstpersoneel, eerst als er bezoek kwam, later voorgoed naar het „achterhuis” werd verwezen.

Wij hoeven er geen doekjes om te winden: er is een kloof tussen intellectuelen en het „volk.” Zoals Buskes in het nummer van 8 Dec. terecht schreef: wat doen de intellectuelen in het algemeen in de practijk om het wantrouwen, van de arbeiders bijv. te overwinnen? Om hen in de huidige discussie over het socialisme zelf te betrekken? Om hen in hun eigen levenssfeer te bereiken en te begrijpen?

Het studentenleven zou, zo waren de plannen in de bezettingsjaren, ingrijpend veranderd worden. Het verenigingsleven zou sterk gedemocratiseerd worden. Komt dit in vervulling? Zal het geld in het corpsleven geen rol meer spelen? Wij wachten af. In de U.S.A. is het een gewoon verschijnsel, als een student zelf de kost verdient, bijv. als kellner in de zomervacantie. Zijn wij zover, dat wij daarvoor niet meer de neus optrekken?

Wanneer wij als socialisten het huidige maatschappelijk stelsel aankiagen, omdat het niet aan alle personen gelijke kansen geeft, dan zeggen de verdedigers, dat de begaafden heus hun weg wel vinden. Die sociale stijging wordt sterk overschat. Uit een onlangs verschenen studie van dr. Van Heek over de „Stijging en daling op de