is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 5, 26-10-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET KLINKENDE EILAND

De herkenning

Er zijn lezers die van hun auteur eisen, dat hij met elk volgend boek zichzelf nog eens weer zal overtreffen. Dit is onbillijk, want het is niet menselijk meer. Maar ik meen voorts, dat zulke lezers toch ook niet de rechte krmst van het lezen verstaan. Zij willen steeds maar het hunne van hun auteur hebben, en eigenlijk komen ze zodoende nooit aan het zijne toe. Zij lézen een boek, maar léven er niet mee. Van dat boek naar de reep chocola is hier maar één stap zelfs bij die lieden die op hoge geestelijke en litteraire cothurn voortschrijden. De rechte lezer dat is: de liefhebbende! leeft met zijn auteur. En daar de ware liefde altijd heel veel van doen heeft met de trouw, komt hij er niet zo licht toe om zijn auteur in de steek te laten wanneer een volgend boek eens iets minder is dan het voorgaande..Ja, ofschoon de liefde heel scherp de gebreken ziet, heeft de trouw vaak weinig lust om die luidruchtig te annonceren. Het werk van een auteur een góed auteur is een levend geheel, en alleen de totaal verdorven aestheet kan er een pervers behagen in scheppen om des auteurs goede kaarten tegen zijn minder goede uit te spelen. Dit heet voorwaar vals spelen: want de ware lezer beseft dat hij nergens recht op heeft, en zijn onvergankelijke lezersvreugde is, dat hij toch mag meedoen. En zo vindt hij, ook en juist in het zogezegd „mindere” werk weer terug wat hem lief is in zijn auteur. Daarom kan hij niets missen, ook het mindere niet, gesteld al dat hij die qualificatie een weinig wrevelig niettemin zou moeten laten gelden.

Dit als verweer tegen degenen die zullen zeggen dat de novellenbundel van Aragon, Servitude et grandeur des Frangais, toch minder is dan wat ons daarvóór van hem heeft bereikt. Het is eigenlijk te banaal om er nog op in te gaan. Een dichter die de verzen van Le Crève-Coeur heeft geschreven, heeft het recht om minstens tien jaar lang z’n mond te houden. Dat hij van dit recht geen gebruik wenst te maken, vormt de grondsiag voor de vreugde van zijn trouwen lezer, die in deze novellen de motieven terug vindt die hem reeds eerder bonden aan zijn auteur.

Het zijn zeven verhalen uit de verschrikkelijke jaren. Het motief, dat ze onderling verbindt, zou ik willen noemen: dat der herkenning. Herkenning van Franse mensen, onderling en wederzijds, in de druk en de gruwel die over hen was gekomen. Het mannetje dat maar geen beslissing kan nemen in het verzet, wat vaal en onbestemd en onzeker; opeens heeft hij de weg gezien die alleen mogelijk is om nu te gaan; de gestalte van een man die telkens zijn weg kruiste op onderscheidene momenten heeft hij herkend in de wijzende en bindende betekenis die zij voor zijn leven heeft gekregen.

Het oude echtpaar dat plotseling wordt overvallen door de Gestapo, die naar de radio zoekt, die het arme zich bezwerende echtpaar immers niet eens bezit, en dus, wat denkt u wel, ook niet beluistert. Zelfs de listigste lezer loopt erin! Laat staan de Gestapo. Als die weg is, stuiven de oudjes stormenderwijs naar de keuken, waar de buren zorgen voor de geregelde uitzending

der nieuwsberichten. Beter een goede buur...

Kostelijk is „Le mouton”. Zo heet daarginds die vent die bij andere gevangenen in de cel wordt gezet om ze uit te horen. Ik vind die benaming een blinkend voorbeeld van wat de Franse taal vermag op het gebied van heldere beeldkracht; een heerlijk woord: le mouton! Het is een gegeven, dat velen onzer zich ook zullen herinneren uit eigen onaangename ervaring. Je wordt in een cel gedouwd en daar zit al een stel andere kerels. Eerst ben je blij, animaal blij, dat je tenminste niet alleen in de narigheid zit. Volkomen waanzin natuurlijk, maar het is zo. Doch dan komen de twijfelingen: waar zit hier „le mouton”, de aanbrenger? Ik herinner me, dat er in onze cel dagenlang enige terughouding heerste alvorens de herkenning volledig doorbrak. Het was om de vrees voor het lokkendblatende schaap. Alleen van mij zeiden ze later, dat ze dadelijk hadden geweten, dat ik een heuse dominé was en geen „mouton”. En toen ik, een weinig verontrust, informeerde naar het weshalve, kreeg ik van één der lotgenoten, een niet-kerkgaand man, dit antwoord: „Als ze daarvoor een dominé hadden willen fingeren, hadden ze het er vast veel stichtelijker op gelegd!” En op deze paradox niet-stichtelijk en toch onmiddellijk herkend als dominé ben ik nog steeds niet uitgepeinsd. Zou hij werkelijk bedoeld hebben dat er een stichtelijkheid bestaat, die regelrecht uit den duivel i 5...?

De herkénning is het motief dezer verhalen uit Frankrijk’s verborgen leven tijdens de bezettingsjaren. leder kan z’n voorkeur hebben ik heb een voorkeur voor de novelle Pénitent 43. Toen ik die had gelezen en het boek dichtklapte omdat het bedtijd was, brak het klokkend plezier zo overvloedig uit mijn keel, dat mijn vrouw zei: „Nu, mag men het ook weten?” Dat mag men. En daarom wil ik in mijn eigen woorden want citeren laat zich zoiets niet dit even oververtellen. Er is een pastoor in een voorstadje en die pastoor gaat op een mooie lente-avond naar zijn kerk om de lui die dat wensen de biecht af te nemen. Even terzijde: er zijn in Frankrijk tijdens de bezetting „goeie” en „verkeerde” pastoors geweest, zoals dat in alle kringen voorkwam. Maar dit is dan een goeie, ofschoon dat pas allengs duidelijk wordt. Ook hemzelf duidelijk wordt. De herkenning nietwaar? Ook van jezelf! Hij gaat dus naar z’n kerk toe, niet veel zaaks van stijl en al zo meer. Pastoor is een gevoelig man, maar wat wil men als men een dagje ouder wordt? Er staat een paartje te vrijen, oud-catechisanten van hem, en hij wendt beleefd het hoofd af. Zoals gezegd, hij is ’n gevoelig man, en zelfs pastoors zijn op zulke avonden, toegankelijk voor de bedwelmende geuren van den bloesem der acacia’s die overal zweven. Hij is ook wat terneergeslagen in het vooruitzicht van allerlei cliché-zonden te moeten aanhoren, die de bekende vaste klanten hem met ondoofbare ijver zullen toevertrouwen. Tenslotte is hij dan zover, en zit in zijn biechtstoel, hoort het zondenstroompje monotoon voortkabbelen en deelt even monotoon zijn rechtzettingen uit. Als die acaciageuren

maar niet zo overal, tot zelfs in de biechtstoel toe, geurden . . . Tenslotte kan hij eruit stappen, en ziet mannen in uniform en burgers die in de kerk staan.

Aragon Tekening van Matisse

Op hetzelfde ogenblik ontwaart zijn blik echter een paar schoenen, die aan de andere kant uit de biechtstoel steken! Het gaat door hem heen: heb ik er eentje vergeten? Maar dan koerst hij statig op de indringers af. Wat de heren wensen? De heren zoeken den schuldige aan een zojuist in de naburige stad gepleegde bomaanslag, en die het heeft gedaan moet hier ergens binnen zijn gevlucht. Een waardig gebaar: „Zoekt heren, gaat uw gang. Maar u ziet, er is niemand meer . . . En gaat terug in zijn biechtstoel. Daar is het heel donker. En in het donker hoort hij het zachte hijgen aan de andere kant. Hij denkt even aan de schoenen die hij daarnet heeft gezien, legt de hand op z’n ogen en zegt. „Spreek, mijn zoon, ik luister . . .” Het hijgen bedaart. Daarvoor in de plaats komt wat gestotter. Blijkbaar is de penitent niet bepaald iemand die zich behaaglijk gevoelt in deze omgeving, en blijkbaar

kent hij evenmin de spelregels van het spel dat hier pleegt te worden gespeeld. Maar voor ze met hun beiden verder kunnen, komt er iets tussenbeide. Een gerucht vlakbij de biechtstoel. Met een sprong is de pastoor er al uit: „Entschuldigen Sie...” Die ander, één van de binnengedrongen jachthonden, is er werkelijk even van geschrokken dat de pastoor zo plotseling in zijn volle waardigheid voor hem staat.

Maar die begint, in waardigen pastoorstijl, een weinig op te spelen: of men hem niet met rust kan laten nu hij z’n laatsten biechteling, die al drie kwartier heeft gewacht, moet af werken? Maar . . . vergeten

(Vervolg op pag. 6)