is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 54, 18-10-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het organiseren

Een dezer dagen bracht ik een bezoek aan een paar textielfabrieken in Twente. Daarbij vergat ik uiteraard niet contact te zoeken met vakverenigingsmensen.

Eén punt wil ik uit die gesprekken lichten. Men deelde mij mee, dat van de textielarbeiders in Twente, bijna 40.000 in totaal, nog geen 35 % georganiseerd is in een vakbeweging. De rest is ongeorganiseerd.

Nu is dat een speciaal Twents probleem. In Winterswijk, óók een centrum van textielindustrie, zijn practisch alle werknemers in die bedrijven lid van een der vakbonden, EVC inbegrepen. En men voerde oorzaken aan, die vermoedelijk aan deze merkwaardige geheel-onthouding ten grondslag liggen. Een combinatie van oorzaken zijn het, die tot dit resultaat hebben geleid: de Saksische af keer van splijtzwammen, teleurstelling over twee niet geslaagde stakingen, de sociale voorzieningen waarvan men tóch geniet, het sterk terugebben van het EVC-ledental, dat niet ten goede komt aan andere organisaties, de traditie, dat de werkgevers niet graag hadden dat hun arbeiders georganiseerd waren; deel hebben aan de vakorganisatie betekende blokkade van promotiekansen. Ziet, al deze motieven hebben tot het matige enthousiasme voor de vakorganisatie geleid, dat kenmerkend is voor Twente. Al mijn berichtgevers waren het er over eens, dat het niet eenvoudig zal zijn het ledental op een behoorlijk peil te brengen.

Ik ga op deze vakverenigingsperikelen nu niet verder in. Wat ik er van overhoud is deze vraag: hoever moeten wij gaan in het opdrijven van ledentallen? En daarachter deze vraag: is de organisatie-als-zodanig wel een geestelijk-gezonde zaak?. Deze vragen moeten hier aan de orde komen. In een socialistisch blad, dat achtergronden wil ontginnen. Een blad, dat overigens ondenkbaar is zonder die socialistische beweging, waarin het wemelt van „organisatiemensen” en waarin het woord organisatie, vanwege de gevoelswaarde die het heeft, hè.è.st met een hoofdletter zou moeten worden geschreven.

Is laatste vraag al dat georganiseer niet een geestelijk-ongezonde zaak?.

Antwoord: de noodzaak van het organisatiewezen in onze cultuur is mede gevolg van het loslaten der organische verbanden. Ik denk aan het oude dorp, nog niet beroerd door de moderne cultuur. Er zijn geen organisaties. De kerk is er, het gezin is er, de doden worden door de buren begraven, bij vreugde viert ieder mèè feest en bij rampen helpt men. Niet uit naastenliefde, zoals men wel eens romantiseert, maar uit eigen veiligheid. Men hoort er bij en op z’n eentje is men niets.

Idealiter zou in onze gemeenschap de grote, zowel als de kleine het besef van verbondenheid de uitvoering van allerlei maatregelen „vanzelf” door de overheid moeten toelaten en zouden er geen organisaties nodig moeten zijn, noch politieke, die ze moeten afdwingen, noch sociale, in wier handen de uitvoering thans gelegd wordt. Maar wij leven niet in een volmaakte wereld. Wij zijn, sinds de middeleeuwen, van allerlei losgeraakt en wij moeten in vrijheid nieuwe bindingen ontdekken. En daar-

om al die organisaties op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied. Organisaties, waarvan wij vaak denken: hemel, waarom kan dè,t nu niet gedelegeerd worden naar een overheidsinstantie, die het namens allen doet. Maar wij zijn erg bang voor de overheid en wij hebben erg groot vertrouwen in organen, die „vrij” zijn en daarom zegt de nieuwe minister van Maatschappelijke Zaken, dat alles zoveel mogelijk in handen van particuliere en kerkelijke organisaties moet worden gelegd.

Tweede vraag: hoever moeten wij gaan in het opdrijven van ledentallen? M.a.w.: hoe reageert de gewone man op al dat georganiseer? Antwoord: matig enthousiast en in toenemende mate matiger. Om een duidelijk beeld te krijgen, zou men feitelijk de verschillende gebieden moeten splitsen. Er gelden andere wetten voor een politieke organisatie dan voor één, die ten algemenen nutte staat. Als ik lid ben van de P.v.d.A. heb ik, naast financiële, ook andere verplichtingen, dan als lid van de A.N.W.B. De geheelonthoudersbeweging bindt mij nóg meer. Van weer geheel ander karakter is de Kerk, die van huis uit helemaal geen organisatie is, maar een natuurlij k-bovennatuurlijke gemeenschap, waar men reeds bij hoort vóór men geboren is. Tot schrik van ieder, die de organisatie zo natuurlijk en vanzelfsprekend vindt, dat hij de Kerk alleen maar in dat licht kfin zien.

Zie ik goed, dan hebben wij zo ongeveer het hoogtepunt van de organisatie-kracht bereikt. Niet, dat ze achteruit of leeg zullen lopen; wél dat ze door de massaliteit en

het centralisme minder diep zullen doordringen in de levens van hen, die men organiseren wil. Men zal met allerlei aanlokkelijke middelen nog wel hoge getallen kunnen krijgen met gouden dasspelden enzovoorts maar ergens zal men ontdekken, dat het toch niet ’t ware is en dat die organisatie aan de leiding wel macht maar aan de gewone man geen binding geeft. En de vereenzaming, het gebrek aan binding, is juist het grote probleem sinds de natuurlijke verbanden als kerk, gezin, dorp, hun functie kwijtraakten.

Persoonlijk ben ik graag van iets lid. Ik wil mijn verantwoordelijkheid best uitdrukken door contributie en door openlijke betuiging van instemming. Ik kan zelfs enthousiast worden voor bepaalde organisaties en er bestuursverantwoordelijkheid voor dragen, voorzover dat gevraagd wordt en het mij mogelijk is. Maar juist vanwege die deelname aan het organisatieleven kom ik steeds mèèr voor de vraag of wij niet op een doodlopende weg zijn; of het roer niet óm moet. De zekerheid groeit bij mij, dat wij naast de massa-organisatie, die haar functie nog lange tijd zal behouden, de kleine, actieve groepen nodig hebben, zonder veel georganiseer, zonder veel contributie en orgaan, die véél persoonlijk contact hebben en nieuwe verbanden leggen. Zie Barchem, Bentveld-Kortehemmen en De Vonk.

Laten wij in ieder geval niet ontmoedigd worden als het met onze dierbare organisatie niet langer bergopwaarts gaat. De zaak kón wel eens op andere wijze gediend moeten worden. L. H. R.

„Berliner Kreml”

1

In een vorig artikel noemden we reeds het boek „Berliner Kreml” van Gregory Klimow. De schrijver, ingenieur van beroep, in oorlogstijd officier, werd, vooral door zijn aan het Instituut voor vreemde talen te Moskou opgedane kennis der Duitse taal, geplaatst in een speciale academie voor de opleiding van militaire attaché’s in het buitenland een zeer grondige en deskundige opleiding jen daarna ingedeeld bij de economische sectie van maarschalk Sjoekows staf in Berlijn (Karlshorst).

In een paar artikelen willen we uit dit aan feiten zeer rijke boek een aantal dingen weergeven. Dit keer wat bijzonderheden over de tweede wereldoorlog, voor zover die zich in Rusland heeft afgespeeld.

Volgens Klimow kan men de oorlog in Rusland indelen in drie fasen. „De eerste fase”, schrijft hij, „begon op de dag van de ondertekening van het vriendschapsverdrag tussen de Sowjet-Unie en Duitsland. Op de dag na de ondertekening van dat verdrag in September 1939, moest ik met mijn practisch werk in de fabriek „Rostselmasch”, de grootste industrie voor landbouw-machines (niet alleen wat de Sowjet-Unie, maar wat heel Europa betreft), beginnen. In de montagehal voor combines (maai- en dorsmachines), waar ik mijn werk zou krijgen, werd ik verrast door een merkwaardig schouwspel. Het voornaamste deel van deze montagehal werd gevormd door een in cirkelvorm opgestelde lopende band, waarop de montage van de combines plaats vond.

De lopende band was in de vloer gemonteerd, de combines werden aan een haak vastgemaakt en bewogen zich zo over de

band. Nu stond de band stil, de combines had men er in half-gemonteerde toestand op laten staan. Maar letterlijk iedere vierkante meter van de ruimten tussen de band en de werkbanken stond volgepropt met een nieuwe productie... duizenden munitie-kisten voor pantserafweer-artillerie. Met de productie hiervan was men onmiddellijk na de afsluiting van het vriendschapsverdrag begonnen. Dezelfde aanblik boden de overige montage-hallen.Opde dag van de ondertekening van het vriendschapsverdrag trad op telegrafisch bevel uit Moskou een geheim mobilisatieplan in werking, dat tot op dat ogenblik in de kluis van de „geheime afdeling”, zoals die in iedere Sowjet-fabriek bestaat, voor niemand bereikbaar was bewaard. Alle productie-afdelingen van „Rostselmasch”, die in normale tijden alleen voor vredesproductie werkten, werkten gedurende de drie maanden van mijn aanwezigheid koortsachtig aan de productie van oorlogsmateriaal. Bovendien waren in „Rostselmasch” vanaf de eerste dag van het bestaan van deze fabriek ononderbroken zogenaamde „speciale afdelingen” ber zig met de productie van artillerie-wapens.

Daar ik dikwijls op het goederenstation van Rostow moest zijn, zag ik met eigen ogen de eindeloze treinen met oorlogsmateriaal, dat hier nu na de omschakeling van de vredesindustrie in het gebied van Rostow gefabriceerd werd. Ik spreek hierbij niet over de normale taewapeningsindustrie, waarvan alle bedrijven over eigjen spoorwegverbindingen beschikken en waarvan niemand de productie te zien krijgt.

Als men een uitstapje op het gebied van de marxistische politieke economie wil ma-