Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fcbusivelijk overgenomen, zijnde in die conclusie abusivelijk het jaartal 1871 gesteld in plaats van lb70;

O., dat de eerste regter daaruit ten onregte een argument heeft Setrokken, daar toch de stukken ten duidelijkste aantoonen, dat hier aan niets anders dan eene schrijffout kan worden gedacht, hetwelk dan ook bij het vonnis a quo is aangenomen ;

0., dat het Hof alzoo aanneemt, dat door voren omschreven verklaringen der getuigen, in verband met en nader bevestigd door bovengemeld gewigtig vermoeden , het bewijs is geleverd «Ier gepo seerde feiten, en mitsdien dat ged., nu app., den 17 Dec. l»7ü een brief aan den eischer heeft geschreven en afgezonden, inhoudende , dat hij ged. zijn huis te Franeker niet meer aan eischer , nu geïnt., wilde verhuren, wel des noods verkoopen; dat ei.-cher, nu geïnt., dien brief heeft ontvangen , en dat het schrijven van dien brief door ged., nu app., en de ontvangst daarvan door eischer, nu geïnt., heeft plaats gehad , vóórdat notaris Wiersma te Roordahuizum het huurcontract van dat huis met eischer, nu gemt., had gesloten;

0., dat, dit bewijs geleverd zijnde, daaruit volgt, dat de geïnt., toen hij met den notaris Wiersma het gelibelleerde huurcontract op 30 Dec. 1870 sloot, dat deed, terwijl hem door den bij hem ontvangen brief van den 17 bevorens ondubbelzinnig was kenbaar gemaakt, dat j hij niet meer kon huren; en dat mitsdien de last, aan den heer Wiersma gegeven, was vervallen , en zulks zonder aan dezen de Ontvangst van dien brief mede te deelen ;

0 , dat hieruit volgt, dat geïnt. ter kwader trouw heeft gehandeld en mitsdien geen regt kon ontleenen aan het contract , op die wijze door hem met den gewezen lasthebber gesloten, terwijl hij wist, dat de op dezen verstrekte last was ingetrokken ;

0., dat mitsdien bij het vonnis a quo ten onregte aan den eischer, nu geïnt., zijne vordering in conventie is toegewezen , en de recontionnele vordering aan den ged., eischer in reconventie , is ontzegd • 0., dat geïntimeerdes bij dagvaarding van 12 Junij 1871 ingestelde vordering, met vernietiging van het vonnis a quo, alsnog behoort te worden ontzegd, en de reconventionriele aan den app., in eerste instantie ged. en eischer in reconventie, behoort te worden toegewezen ;

Gezien artt. 339 en 56 B. li. en artt. Iö51, 1852, 1855, ly43 en 1959 15. W.;

Regt doende enz.,

1°. op het incidenteel appel:

Verwerpt de door den incidenteel geïnt. voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheidf van het incidenteel appel van het interlocutoir vonnis dJ. 23 Oct. 1872 , en veioordeelt den exeipiëut in de kosten, daarop gevallen ;

Verklaart het incidenteel appel van dat vonnis ten principale ongegrond ;

Verstaat, dat te dien aanzien kwalijk is geappelleerd en goed geVonnisd, en bekrachtigt dienvolgens dat vonnis;

2o. ten aanzien van het principaal appel van het vonnis dd. 4 Junij 1873 :

Vernietigt dat vonnis; en, op nieuw regt doende in conventie, Pass-erende het door den app. subsidiair aangeboden getuigen bewijs: Ontzegt aan geïnt. zijne vordering, ingesteld bij acte van dagvaarding van den 12 Junij 1871; en in reconventie:

Wijst aan den app. zijne reconventionnele vordering toe;

Vernietigt mitsdien het contract van huur en verhuur, gesloten tusschen den notaris Wiersma, te Koordahuizum , als gemagtigde van app. en den geïnt., den 30 Dec. 1870 ;

Veroordeelt den geïnt. en incidenteel app. in de kosten van beide instantiën, uitgezonderd die, waarin de incidenteel geïnt., ais exeipiëut, in voege voormeld, is veroordeeld, en die, waarover reeds is beslist bij meergemeld interlocutoir vonnis van 23 Oct. 1872.

(Gepleit voor den appellant en incidenteel geïntimeerde Mr. L. GVerwer, van Leeuwarden, en voor den geïntimeerde en incidenteel appellant Mr. H. Schaap.)

mengelwerk'.

T--

In de zitting van den Gemeenteraad van 's Gravenhage van 15 dezer is ingekomen het volgende rapport:

's Gravenhage, 12 September 1874.

De ondergeteekenden, die op 16 Junij jl. door den Gemeenteraad 'aren belast met het regtskuudig onderzoek, voorgeschreven bij art. 199 der gemeentewet, betrekkelijk de t<en door Jhr. Mr. Dirk Jacob Carelvan Lkünep tegen de gemeente ingestelde regtsvordering, en van wie de liaad in zijne vergadering van den 21 Julij jl. had verlangd advies omtientde vraag, of moest worden berust in het vonnis, door den heer kantonregter alhier op den vorigen da2 in die zaak gewezen, welk vonnis de gemeente in het ongelijk heelt gesteld (zie dat vonnis in Weekbl. n«. 3738), —hebnen op den 28 Aug. 11. van heeren burgemeester en Weihoudeis ontvangen het op den 27 dier ttaend biteekende afschrift van dat vonnis.

Nog vóórdat de ondergeteekenden van Bedachten hadden kunnen Wisselen, hebben heeren Burgemeester en Wethouders hun ook medegedeeld een brief over hetzelfde onderwerp , door (Jen heer advokaat dezer gemeente, onder dagteekening van ilen 1 dezer, tot het coüegie Van Dagelijksch Be.-tuur gerigt.

De overweging van den inhoud van dien brief, welken de ondergeteekenden de eer hebben hierbij over te legden, hteft niet weinig bijgedragen tot bevestiging van hun oordeel, dat niet in gemeld vonnis behoort te worden berust.

De motieven van het vonnis hadden de ondergeteekenden niet doen wankelen in de overtuming, door hen uitgesproken in hun ropport van 20 Junij 11. (bijblad, p. 163, n°. XXI), dat (Ie vordering van den heer van Lenmsp was evenzeer niei-ontvankeli,k als Ongegrond. De redeneringen van den heer Kappeyne yan de Cgppei_j.o, waarnaar de ondergeteekenden vern eenen te mogen verw ijzen, sullen , ïikar zij vertrouwen , oe-k hunne geachte medeleden tot de 0vertuiging brengen, dat met vertiouwen van den hoogeien regter eet|e uitspraak ten gunste der gemeente mag worden te geuioet gezien.

herder volhardende bij hetgeen zij de eer hadden in Junij 11. te apporteren , ook waar zij wezen op het belang der gemeente om eene (,in hun oog eironeuse; leer te bestrijden uit hooide der ver Uitziende gevolgen harer toepassing, — hebben de ondergeteekenden a'zoo ue eer voor te stellen te besluiten tut het instellen van hooger Woep van gemeld vonnis.

Eysseix.

B. 0. i>e Jonge.

J. J. van Geens.

's Gravenhage, 1 September 1874.

■dan Heeren Burgemeester en Wethouders van 's Gravenhage.

y B'jl^onnis van 20 Julij jl. heeft de heer kantonregter de vordering n Jhr. yan Lennep toegewezen. Dat vonnis werd door den eischer eeken", en er moet ous worden overwogen, of daarvan behoort te oruen gekomen in hooger beroep.

Schoon ik gaarne hulde breng aan de blijkbare zorg , waarmede het vonnis is bereleneerd, heeft toub het daarin geleverd betoog mij niet overtuigd. Dat betoog schijnt mij te lijden aan de fout vbh het eigenlijke vraagpunt te eng te hebben opgevat, als viel enkel na te gaan, waar, volgens het Burgerlijk Wetboek , de eischer was gedomicilieerd. Wij hebben hier echter met publiek, niet met civiel regt te doen.

Art. 245, 2.1e lid, der gemeentewet bepaalt: «Daarin wordt over een dienstjaar do»r hem , die niet dat geheele jaar in de gemeente zijn hoofdverblijf hield of er verbleef, slechts voor zooveel maanden gedeeld, als zijn hoofdverblijf of verblijf in de gemeente geduurd heeft».

De eischer moest dus twee dingen bewijzen : èn dat hij in de gemeente 's Gravenhage geen hoofdverblijf had in den zin der gjmeentewet, èu dat zijn verblijf aldaar gedurende de vijf maanden in geschil niet had voortgeduurd. En dit laatste punt moest op den voorgrond staan ; want eerst als vaststond , dat er niet was geweest verblijf, kwam in aanmerking, of er was geweest hoofdverblijf.

Wat beteekent taal- en regtskundig in de gemeente verblijf hebben? Het vonnis bewa- rt hierover een diep stilzwijgen. Toch moet men beginnen met zich van de beteekenis van het woord verblijf' goede rekenschap te geven. Verstaat men daaronder de plek , waarop een gegeven persoon op eju gegeven oogenblik tegenwoordig is en die hij in de ruimte ligchameiijk inneemt, dan kan nooit iemand zich van zijn verblijf verwijderen. Dat is, waar hij is. Doeh tegen dergelijke opvatting verzet zich de natuurlijke zin der uitdrukking. Zij wijst op het gewoonlijke, het duurzame en regelmatige op eene plaats, van waar men afwezig zijn kan , juist omdat men gewend is er weêr te komen. Niet de wandelaar vertilijft op de straat, de reiziger in het voertuig; verblijf is woning. Nachtverblijf heeft men niet in zijn nachtgewaad of nachtleger, maar in het huis, waarin men onder dak is, en , wie zonder verblijf is , wordt wel ergens aangetroffen , maar vagaboudeert. Niet enkel in onze taal zijn verblijven en wonen synoniem, het is zoo overal. Mansio en habitatio b. v. geven volmaakt dezelfde gedachte weder. Ook het dagelijkscb spraakgebruik laat hie omtrent geen twijlel. i£en Scheveningsche badgast, die gedurende zijn vernlijt aldaar een dag uit de stad gaat, zij het naar zijn huis, zal er geen oogenblik aan denken , dat zijn badverblijf te Suheveningen niet heeft vo n'tgeduurd, waar hij zijne kaurers aanhield.

Verschilt dan van de na'uuriijke en taalkundige beteekenis van het woord de regtskundiue? In art. 245, § I , der gemeentewet stond oorspronkelijk : «worden uitsluitend de inwoners der gemeente aangeslagen'/. Dit had lot dubbelzinnigheid aanleiding gegeven met betrekking tot het domicilie; immers men kan ergens gedomicilieerd wezun, zonder er te wonen, en omgeseerd eigens wonen, zonder er gedomicilieerd te wezen. Om dus stellig uit te drukken , dat beide klassen moeten worden aangeslagen, veranderde men inwoners in : «zij, die in de gemeente hun hoofdverblijf houden, en zij, die er verblijven». Dat onder de laatsten, in tegenstelling met de gedomicilieerden , die er niet wonen , zij die er wonen bedoeld zijn, verheft de geschiedenis der wijziging boven twijfel.

Woueu in eene gemeente doet echter niet hij, die eigenaar is van een bewoonbaar pand , of hij, die zich toevallig in de gemeente opnoudt, maar hij, die, aldaar over een woonhuis de beschikking hebbende , het bij voortduring bestemt, om tot woning voor hem en de zijnen te dienen. Wonen kan men dus iu verschillende gemeenten te gelijk. Wie een woonhuis heelt in meer dati éene gemeente en zijn persoonlijk oponthoud tusschen beiden zóó verdeelt, dat hij in be.den gelijkelijk gevestigd is, woont op beide plaatsen te gelijk, zelfs gedurende den tijd, dat hij van beiden afwezig is. Wanneer b. v. Jhr. yan Llnnep, zijn gezin alhier achterlatende, gedurende een of meer der zeven wintermaanden in geschil zich persoonlijk voor zaken, gezondheid of genoegen had begeven naar het bu.temand , zou hij, volgens het vonnis van 20 Julij, afschrijving hebben kunnen vragen. Xntusschen zal niemand ontkennen , dat in dergelijk geval Jhr. yan xiennlp hier voortdurend had bdjven wonen, want hij zou hier onafgebroken eene woning , bewoond door zijn gezin , gehad hebben. De persoonlijke tegenwoordigheid van den belastingschuldige wordt dus tot het voortduren van het werkelijk verblijf niet gevorderd. Er is slechts een vereischte : het voortdurend behoud der tot eigen gebruik bestemde woning, zelfs al verlaat men tijdelijk zijn huis, het sluit en hei ledig laat staan. Waar men zich heen begeeft en inmiddels ophoudt binnen ol buiten 's Jands , op eigen bu.tenplaats of op een gehuurd optrekje of iu een logement, doet niet ter zake. Met het aanhouden der woning h .udt aan de daad van wonen.

Hoeveel te meer echter, als hij het behnud der woning, als onaf gebioken en ondeelbare handeling, zich voegt het voortdurend bewoond zijn van het huis. Xtnmers heeft een huis een bewoner, dan moet deze ol zeil belastbaar zijn ais principaal of inatius ministro. van den voor hem aansprakelijken hoofibewoner. Een huis, waar zich een huisbewaarder bevindt, is eeu bewoond huis, waarin door de aanwezigheid van zijn bediende de meester evenzeer de daad van wonen uitoefent, als wanneer hij er zelf zijn intrek heeft. De wet op het personeel moge, even als voor enkele andere soorten vau dienstboden, voor huisbewaarders vrijstelling verleenen, de vrijstelling ware onnoodig geweest, als zij geene dienstboden waren. Wat iemand door zijne bedienden laat doen, doet hij zelf. Het aanhouden eener woning, die de hoofdbewoner, opdat zij voortdurend in zijn naam en ten zijnen behoeve bewoond blijve, door eene huisbewaarster laat betrekken , gelijk vaststaat, dat in de vijf mannden in geschil de eischer gedaan heeft, doet het verblijf voortduren, al bevindt zich het gansche gewone gezin tijdelijk elders, en heeft het hoofd van het gezin aldaar zijn domicilie naar het burgerlijk regt. Ik voor mij althans zie geen middenweg tusschen de verklaring van verblijven door ligchameiijk tegenwoordig zijn wat taal- en regtskundig onaannemelijk is, of door woning houden, en in dit laatste geval moet voor een voortdurend niet onbewoond tielaten huis worden aangeslagen da hoofdbewoner.

De vraag omtrent het hoofdverblijf heeft dus meer ondergeschikt belang. Bij de toelichting der wijziging verklaarde de Regering, dat ten aanzien van het verblijf houden geene verandering werd voorgesteld. Men wilde, door van het hoofdverblijf ie spreken, enkel uitdrukken, dat gevestigd zijn in de gemeente, ook zonler ddar eigenlijke woning te hebben , mede tot bijdrage verpligt. B. v. iemand kan, schoon zijne huish-ulirrg hier geheel opbrekende en voor een geheel jaar naar Indië of naar huiten 's lan Is gaande, toch den zeiel zijner fortuin hier gevestigd houden. Dan betaalt hij, zonder verblijf te hebben gehad, l/aarop sloeg het in liet vonnis vermelde antwoord van den minister aan den heer van Asch yan Wijck: «Hoofdverblijf, zegt de geachte spreker, is hierbij te denken aan eene plaat*, waar men niet werkelijk verblijf houdt? Zonder twijfel». En hij liet er op volgen: «mijns inziens kan men slechts een hoofdverblijf hebben maar in eene andere plaats verblijven». Een bewijs dus, dat ook de minister, wat verblijf betreft, gelijktijdig verblijf op meer dan e'e'ne plaats als ailezius mogelijk beschouwde en derhalve mede onder verblijven niet verstond persoonlijk ergens zijn, maar ergens woning hebben.

Zonder belang evenwel is de beschouwing van de voorschriften der gemeentewet omtrent het hoofdverblijf niet. In den voortgang zijner

j rede lichtte de minister zijne jongste wijziging nader dus toe: «Ilier komt het (in tegenstelling met het Burgerlijk Wetboek) echter op de plaats aan, vaar het hoofiiverblijf gevestigd i§, en geldt het, met

I betrekking tot de ver bind te nis om in de plaatselijke belasting bij te

I

dragen, de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de overbrenging der woonplaats niet te laten inroepen*. Op deze verklaring heeft de heer kantonregter verzuimd acht te slaan. Z{j toch scheidt het behoud van het hoof l ver blijf, volgens het Burgerlijk Wetboek, van het verkrijgen van hoofdverblijf, volgens de gemeentewet, geheel van eikander af. De mededeeling van des ministers persoonlijke zienswijze, dat men slechts één hoofdverblijf hebben kan, zag dus op het domicilie van het Burgerlijk Wetboek. De minister scnaarde zich in dit opzigt aan de zijde van Prof. Die^huis tegen Prof. Opzoomkb. In h >ever hiermede die controverse voor het burgerdjk regt beslisis, kan worden daargelaten. Genoeg zij het er op te wijzen , dat het domicilie van het Burgerlijk Wetboek elders kan zijn dan het hoofdverblijf, volgens de gemeentewet, en tusschen beiden niet, gelijk de heer kanionregter aanneemt, eenheid bestaat. Immers naar het Burgerlijk Wetboek duurt in de oude gemeente het domicilie vo^rt uoor het enkele feit der niet-overbrenging. Het laatste lid vau art. 24i der gemeentewet werd toegevoegd juist om het hoofdverblijf in eene gemeente te doen geboren worden ook zonder overbrenging. Zijn burgerlijk domicilie heeft Jhr. tan .Lennep ontegenzeggelijk te Heemstede , zoolang hij het niet naar el'iers overbrengt; en , zoolang hij daar zijn burgerlijk domicilie heeft, moet hij er, volgens de bestaande rijkswetten, zijne staatsburgerlijke regten uitoefenen en er voor de twee laatste grond&lagen van het personeel worden aangeslagen. Dat zijn alle noodzaKelijke gevolgen van het feit der niet-overbienging; en beletten deze dus het bestaan van het hoofdverblijf hier, dan beeft des ministers verbetering haar doel gemist, want zij strekte juist om voor de verbindtenis om in de plaatselijke belastingen bij te dragen aan het al ol niet overbrengen der woonplaats geene re^tsgevolgen toe te kennen. Ilij nam voor den aanslag iu de gemeentebelasting een feitelijk hoofdverblijf aan , verschillend van het niet overgebragt en dus elders voortdurend domicilie. Volgens het vonnis is oit onmogelijk en sluit het behoud van het regtskundig domicilie op de eene plaats het hooldvei blijf op eene andere plaats noodzakelijk uit. De verlegging blijft noodig.

Ziet men echter van de verklaringen van het Burgerlijk Wetboek af, dan heeft ie , and hoofdverblijf in de stad, waar hij blijvend gevestigd is, al brengt hij den zomer buiten door. En niets belet, hoe men ook over de controverse uit art. 74 Burgerlijk Wetboek denke, dat iemand dergelijke vestiging op meer dan eéne plaats hebbe. Duobus locis, leert Voet ad D. de •ludtcus, § 92, potest aliquis habere domicilium , si utrobique ita se instruxit ut non ideo nuuus apud alteros se colioeasse videatur. En van Jhr. van Lennep kan men te 's Gravennage zeggen: ita se instruxit, dat hij er met tijdelijk, maar blijvend, als de plaats, waar hij gewoon is te huis te zijn, zich heelt gevestjgd.

Mijne slotbom is mitsdien deze. Er staat vast, dat de eischer te 's llage heeft eene woning, tot huisvesting van hem en zijn gezin bestemd , du hij jaar in jaar uit aanhoudt en die bij, zelfs wanneer hij in de zomermaanden met zijn gewoon gezin elners is, m zijn naam en ten zijnen behoeve door eene bediende, wier éénige dienstverrigting hierin bestaat en voois wie hij aansprakelijk is, laat bewoond houden.

Door die voortdurende daad van bewoning duurt voort het werkelijk ver i tl ij f.

Bovendien is dat verblijf, in den zin der gemeentewet, een hoofdvei blijf, niettegenstaande het domicilie niet overgebragt werd en dus te Heemstede bleef; want de verlegging vordert de gemeentewet niet, enkel de permanente eu principale vestiging.

De leer van het vonnis ontrooft aan de wijziging der gemeentewet allen gezonden zin en geeft aan verblijven eene te bekrompen uitlegging, die, in strijd met de taal- en regtskundige beteekenis des woord.-, tot ongerijmdheden voert.

De regtsVragen , v'aarover het geding loopt, zijn van dagelijksche toepassing, en de gemeente heeft er groot belang bij, daaromtrent eene beslissing van de hoogere regtscoliegiën uit te lokken. Op deze gronden meen ik alzoo te moeten aanraden, dat in zake Jhr. van Lennep van wege de gemeeute zal worden gekomen in hooger beroep.

J. Kappeyne yan de Coppello.

Deze stukken werden ter lezing gelegd.

DAGVAARDING VAN VREEMDELINGEN".

(Ingezonden.)

Maastricht, 12 September 1874.

Aan de Redactie van het Weekblad van het Regt.

De circulaire van den afgetreden minister van Justitie over de dagvaarding van beklaagden, die hier te lande geene bekende woonnoch verblijfplaats hebben , geeft mij aanleiding de vraag te stellen, of het niet eindelijk tijd wor It de wijze van dagvaarden van vreemdelingen èn ten civiele èn ten correctionnele of criminele te veranderen en te vereenvoudigen.

Moeten wij b. v. iemand van de Belgische Smeermaas , op een kwartier-uur afstand van Maastricht, sommeren of dagvaarden, dan wordt het expioit aan het parket beteeRend, opgezonden aan den minister van Justitie, die het in handen van ziju collega van Buitenlandj-che /aken stelt; do^r dezen verzonden aan den .Nederlandschen gezant te Brussel, die het aldaar bij den Belgischen minister van Buitenlandsche Zaken bezorgt; deze laat het zijn collega van Justitie toekomen, die op zijn beurt het aan den procureur des Konings van het ariondissement, waar de gedaagde of geïnsinueerde woont, ter verdere bezorging mededeelt; dau komt het expioit eindelijk in handen van den burgemeester der gemeente, waar het bezorgd wordt door den veldwachter. Wat omslag! wat tijdverlies! wat schrijverij! Want daar wordt van dat alies nota genoudeu; het bewijs van ontvangst wordt zelfs langs denzelfden weg aan den re^juirant gezonden.

Waarom nu niet eenvoudig de post met die bezorging belasten ? langs dien weg kon het expioit één uur na de beteekening op de plaats zijner bestemming wezen, terwijl thans daarvoor minstens veertien dagen vereischt worden.

En stelt nu een«, dat gij getuigen moet oproepen: het enquest wordt binnen de veertien dagen na de uitspraak van het interlocutoir bepaald , dan kunt gij bij geene mogelijkheid de wettige manier van dagvaarden opvolgen.

En wat, ais iemand gesommeerd wordt om binnen de vier-entwintig uren iets te leveren of in ontvangst te nemen ? dat alies gebeurt hier dagelijks; dan komt het wel voor in de praktijk, dat zoo een persoon gelijktijdig met de sommatie ook de dagvaarding ontvangt. De wet kan en mag toch nimmer eene boite & surprise we/.en; thans is zij dit. Ziehier onder anderen een voorbeeld.

Eene rente-creditrice leeft in onmin met de rente-debiteuren ten gevolge van eeu proces. Zij wacht op de be:alii;g van den rentetermijn , omdat zij geen ander inkomen bezit. Wat doen nu die debiteuren ?

| Gebruik makende van art. 4, 8°., B. R. (want die vrouw verbleef destijds kort bij Aken op Fruissisch grondgebied), doen zn een „anbod j van de vervallen rente op het parket van den heer officijr van justitie,

Sluiten