Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel uit de handen van Europeanen gehouden. Bij toeval kwamen wij in het bezit van zoo’n boekje, dat een paar jaar geleden te Solo verscheen. De schrijver noemt zijn boekje ' €Asmalaraja*, Liefde tot den dood. Hij spoort zijn lezers aan, de liefde tot den dood in zich op te wekken en te onderhouden. Die liefde is gelijk aan een wetenschap, die de ware wijsheid aan den mensch leert. Men ziet het aan het rustig, blij en tevreden leven van hen, die deze wetenschap beoefenen. Zij keeren de drukte dezer wereld den rug toe en zoeken slechts de liefde tot den geest. Zij spreken geen kwaad van hun naaste en trachten steeds door woord en daad anderen gelukkig te maken en ze den vrede des harten te bezorgen. Zij zijn bedaard, zacht en barmhartig, heilig en oprecht: hun zoetste vermaak is deugden te beoefenen. Zij zijn omdat hun hart verlicht is. Zij zien den stand van het heldere licht, zij weten den toegang daartoe, en de wijze, om door de poort van deze aarde in het rijk der helderheid te komen. Zij zijn zich bewust van de zaligheid van \ den dooden in de gevaren van bet ■ leven ondervinden zij geen moeilijkheid.

Na aldus nog eenigen tijd over de voordeelen dezer Wetenschap gesproken te hebben, gaat de schrijver voort: Het leven is kort gelijk ’t verschijnen van een lichtstraal. Eén oogenblik en het is voorbij. De mensch keert terug naar zi]n verheven oorsprong. Gelukkig is hij, die dezen kan terug vinden en tijdens zijn leven niet afgedwaald is. Voor hem, 'die deze wetenschap niet beoefent, is deze oorsprong een geheim; hij gaat bij zijn sterven over in ’t ijle en vermengt zich met den aether evenals stof, dat met den windt meewaait. Ach mijn zoon, hoe zoudt ge u daar bevinden, want in het ijle treft men slechts duisternis zonder grens of einde! Sommigen berusten in den aether en zijn tevreden met dat leege, omdat het alles bev_at en alles doordringt, maar zij begrijpen niet, dat hij duisternis is zonder eindpaal. De aether is maar een schepsel, een vermenging van drie fijnheden, de «trimoerti», van warmte, koude en wind, veroorzaakt door zon, maan en sterren, en dient voor God als een scherm, waarop zich alle wezens aan Hem vertonnen. Weliswaar evenaart niets in deze wereld den aether, maar in waarheid is hij een schepsel, daar zijn bestaan niet eeuwig en standvastig is, daar hij beweegt en kan toenemen en afnemen. Het ware wezen, het waarachtige, leven is in rust, en bezit