is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 45, 1927, no 8, 23-02-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier wet toch zijn niet opgenomen de bepalingen zooals die in de wet van 1875 voor de Hoofdspoorwegen in art. 28 zijn vastgelegd. Idet schijnt dan ook bevreemdend, dat in de Rijksconcessie nog steeds aan den eisch tot vaststelling van de maximum tarieven door den Minister wordt vastgehouden.

Intusschen is het geval niet geheel ondenkbaar dat in een bepaald geval het publiek meent een lager tariefte mogen eischen, dan de tram heeft gesteld. In een zoodanig geval zou de Minister zijn corrigeerenden invloed desncodig nog altijd kunnen doen gelden en op deze wijze zou geheel voldaan zijn aan de bedoeling die bij de tot stand koming van de Locaalspoor- en Tramwegwet heeft voorgezeten.

Afgescheiden nu van de kwestie óf en de datum waarop uit de verschillende rijksconcessies de bepaling ontrent de goedkeuring door den Minister van de maximum vrachttarieven wordt gelicht, meent dff Nederlandsche Vereeniging dat in het algemeen thans geen behoefte bestaat in de geldende maximum tarieven eenige wijziging te brengen, en zij meent dan ook op bovenstaande gronden Uw College te mogen verzoe-/ ken, den Minister van Waterstaat in bovenstaanden zirt wel te willen adviseeren.

Namens de Nederlandsche Vereeniging voor Locaalspoorwegen en Tramwegen,

De Administrateur,

(w.g.) D. H. STIGTER.

Een geweigerde autobusconcessie.

-Het IS niet de bedoeling hier ter plaatse alle afwijzende beschikkingen van Gedeputeerden op autobusconcessieaanvragen te publiceeren. Een uitzondeling moge echter wel gemaakt worden voor de beschikking ter zake van een aanvrage voor het traject Rotterdam- Schiedam. Zooals in dit blad reeds vermeld werd zijn op genoemde lijn vijf ondernemingen geconcessionneerd.

De zesde aanvrage is echter afgewezen. Tegen deze aanvrage waren de overige autobusondernemers (welke n-. tegenstelling met den aanvrager op het genoemde traject reeds redenj in verzet gekomen. Zij betoogden dat er aan een nieuwe autobusonderneming geen behoefte was.

De vijf reeds bestaande buslijnen w'aren volgens hen precies noodig doch een zesde erbij zou een verbitterden concurrentiestrijd tengevolge hebben, waarmede het publiek niet gebaat zou zijn. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben zich blijkbaar met dit standpunt kunnen vereenigen.

Hun beschikking luidt al= volgt:

Beschikking van 18 Januari 1927, G. S. no. 47, inzake aanvraag om vergunning tot het in werking brengen van eene autobusdienst door de N.V. Schiedamsche Brockwaybus-Maatschappij te Schiedam.

De Gedeputeerde Staten maken, ingevolge artikel 2, lid 7, der Wet Openbare Vervoermiddelen (Staatsblad no. 321 van 1926), hunne volgende beschikking bekend:

De Gedeputeerde Staten der provincie Zuid-Holland,

Gezien een verzoek van den heer M. C. van der Wal, Directeur der Nederlandsche Brockwaybus-Maatschappij gevestigd te Amsterdam, welke op hare beurt de directie voert over de N.V. Schiedamsche Brockwaybus-Maat-

srbappij, gevestigd te Schiedam, om vergunning tol liet in werking brengen van eenen aulobusdienst van Schiedam (Rogenburgerplein) naar Rotterdam (Diergaardelaan) ,

Gezien de bij hel verzoek overgelegde toelichtende bescheiden ;

Gelet op de bezwaren, zoowel schriftelijk als mondeling ingebracht in de op 17 December 1.1. door de Commissie uit hun midden gehouden zitting, nadat het verzoek en de toelichtende bescheiden van 29 November tot en met 28 December 1.1. ter inzage van een ieder hebben gelegen ;

Gelet op de Wet Openbare \’ervoermiddelen (Staatsblad no. 321 van 1926);

Overwegende, dat de volgende bezwaren zijn ingébracht :

10. van de Directie der Rotterdamsche Electrische 1 ramweg Maatschappij, die betoogt, dat deze autobuslijn geen reden van bestaan heeft, daar in den dienst Rotterdam—Schiedam door de bestaande lijn 8 harer Maatschappij, loopende van het Beursplein te Rotterdam langs den Nieuwen Binnenweg, Delfshaven naar Schiedam iKoemarkt), geheel in de behoefte van het verkeer wordt voorzien, dat dit temeer klemt, nu de Tramweg Maatschappij alleen door de concurrentie van autobuslijnen waarbij opmerking verdient, dat de interlocale autobussen ook in stadsverkeer van de tram reizigers aftappen noodlijdend is geworden, immers sedert het boekjaar 1922—1923, eindigende 30 Juni 1923, geen dividend op hare aandeelen heeft kunnen uitkeeren, slechts onvoldoende heeft kunnen afschrijven en directe verliezen geleden heeft;

20. van de Gebrs. Korpel, A. Munnik, D. van Leeuw'en en de directie der N.V. van der Ende’s Autobus Maatschappij, allen te Schiedam, ondernemers van bestaande autobusdiensten Rotterdam—Schiedam, die aanvoeren, dat aan een nieuwe a 111 obus 1 ij n naast de bestaande in het geheel geen behoefte is en dat, werd de aanvraag ingewilligd, een verbitterde concurrentiestrijd daarvan vermoedelijk het gevolg zou zijn, waarmede het publiek uit den aard der zaak allerminst gebaat is ;

30. van Burgemeester en Wethomlers van Rotterdam, die mededeelen, dat, zoowel door de Rotterdamsche Electrische Tram weg Maatschappij als door de bestaande autobus-ondernemingen, in voldoende mate in het passagiersvervoer Rotterdam—Schiedam wordt voorzien, om welke reden zij de inwilliging van het verzoek ontraden ;

Overwegende, dat bij hunne besluiten van 11 Januari 1927, G. S. no. 13 (Provinciale bladen nos. 3,4, 5, 6 en 9 van 1927), aan de ondernemers van 3 bestaande autobusdiensten voor de lijn Rotterdam—Schiedam vergunning is verleend tot het in werking houden (brengen) van een autobusdienst;

Overwegende, dat hierdoor, alsmede door de Electrische Tram, ook naar het oordeel van hun college, vol doende in het passagiersvervoer Rotterdam —Schiedam voorzien wordt en dat aan het in het leven roepen van een nieuwe autobus-verbinding tusschen beide gemeenten dus geen behoefte bestaat;

Besluiten;

het verzoek af te wijzen.

’s-Gravenhage, 18 Januari 1927.

De Gedeputeerde Staten voornoemd,

SWEER rS, Voorzitter.

B. W. TH. SANDBERG, Griffier.