is toegevoegd aan je favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Cordove" werden door geheel Europa geleverd en Bredero maakte in de 16de eeuw in zijn tooneelstuk „Moortje" dan ook melding van de nieuwe kunst, die zooveel opgang maakte:

„Sij gaet en brengt mij met het

jonge meysje teer,

In een gesierde sael, behangen met goudleer."

Evenwel na 1600 komt de goudledernijverheid in Holland in verval en de latere machine-arbeid deed natuurlijk wel onder voor den arbeid van den kunstenaar. In 1905 begint dan plotseling Jan Mensing te Amsterdam aan de Raamgracht met eenige door hem onderrichte werklieden het goudleder te vervaardigen volgens de oude wijze, zonder machinerieën. Hoe hij hiertoe kwam, zal ik u in het kort trachten te vertellen. 0

Op betrekkelijk jeugdigen leeftijd wekte zijn broer Anton Mensing (van de welbekende firma Fred. Muller en Co.) het eerst zijn belangstelling voor de vervaardiging van het goudleder op. Het zou ongetwijfeld vrucht afwerpen, indien het gouden leder van vroeger opnieuw gemaakt werd, zoo meende de jonge kunstenaar. Tot een grondiger studie van deze tak van kunstnijverheid ondernam hij verschillende reizen naar Berlijn, Stuttgart, München, Parijs, Sevilla, Cordova, Londen en Weenen, waar hij vrijwel alle musea bezocht. Overal waren fragmenten, maar elk van een andere techniek en opvatting. Daar was bijvoorbeeld het leer der Mooren, van wie het product oorspronkelijk afkomstig is, en het Pompadourleer; kalfshuiden, die aaneengevoegd waren en versierd met allerhande voorstellingen. Het was een uitermate moeilijk werk, om al deze technieken te bestudeeren. Voor Mensing was het in dien tijd de groote kunst, om duurzaam leer te krijgen; daartoe zocht hij in Londen een leerlooier op. Maar toen hij den man vroeg of hij het leer precies zoo kon looien, als het vroeger gedaan werd, antwoordde deze hem laconiek: „Mijnheer Mensing, u hadt 250 jaar geleden moeten leven!" Eerst toen de voortvarende artist bleef aandringen, besloot de Engelschman hem te helpen, mits hij begon met 1000 huiden bij hem te bestellen. Dit had plaats in 1906. Toen kon Mensing ook beginnen met proeven te nemen en, na overwinning van alle technische bezwaren, was hij eindelijk in 1908 in staat, om prachtig goudleder te vertoonen naar verschillende oude modellen. 0 In dien tijd was er een bepaalde kleine kring, die zich voor de goudlederkunst interesseerde. In Amsterdam voerde hij verschillende werken voor particulieren uit. Met H. P. Berlage exposeerde hij op de groote tentoonstelling te Brussel. Volgens Berlage's ontwerp bracht hij toen het goudleer aan, waarmede hij de gouden medaille verwierf. Zijn werkplaats bevond zich toentertijd op de Raamgracht te Amsterdam, waar een zestal werklieden hem bij den arbeid hielp. In 's-Hertogenbosch herstelde hij het pompadourgoudlederen behangsel der wethouderskamer in het stadhuis, te Hilligersberg restaureerde hij de burgemeesterzaal en te Harderwijk en Sneek de raadszalen. Nog niet zoo heel lang geleden, in 1926, restaureerde hij in Venlo de raadszaal, waar hij ook bij wijze van proef eenige vierkanten van het leeren behang tentoonstelde, die een beeld gaven van den toestand, waarin het behang verkeerde en wat het worden zou. Eerst

Een staal van goudrelief op roode fond. E3

Voltooid goudleder. (Fragment; werkelijke afm. 75 x 60 c.M.).

l8l