is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

g4 WANDELING NAAR HET GRAF VAN MIJNEN VADER»

lijkheid, en dat ik dan met hem eeuwig — eeuwig God en.jezus cmusTus zou verheerlijken. - Welk eene zalige gedachte! Zij verhief mijne ziel boven al het aardTche! Ik befchouwde den dood als eenen vriend van den Christen, het fcheiden door den dood als eene' onbegrijpelijke weldaad van God, de opftanding als een blijk 'der almagtige Goddelijke liefde, en de zaligheid als eene eeuwige weldaad, welke jezus Christus , de overwinnaar van dood en graf, voor menfehen verwor. ven heeft. — — Ik wil, ik zal als Christen leven.....

Ook thans wenschte ik, om ook hier eens bij mijnen vader begraven te worden, doch deze wensch zal nimmer vervuld worden, mijn vriend! — En zou ik, als mijn leven hier op aarde geëindigd is, wel gaarne zoo verre van mijne echtgenoote en kinderen verwijderd, begraven liggen ? Immers neen! Er ligt in het hart van den ftèrveïing, ten minde in het mijne, eene dille begeerte, om, als wij derven, te rusten aan de zijde dergenen , welke wij in dit leven hartelijk bemind hebben; wij willen ook zelfs in den dood met hen -vereenigd blijven. Deze trek bevat iets ftreelends, iets aangenaams, iets vertroostends voor ons. En waarom zouden wij dien trek niet mogen koesteren? Deze trek, die begeerte zegt ons, als ware het, dilzwijgends wij, die in den dood aan elkanders zijde rusten, zulien ook te gelijk weder verrijzen, — — Doch — zoo dacht ik verder — waar ook eens mijn graf zal wezen, hetzij digt bij mijne geliefder] op aarde, hetzij verre van het hunne verwijderd, Gods goede vaderzorg waakt overal over mijne kille asch, mijne vermolmde beenderen; hij zal ook over die der mijnen liefderijk de wacht honden. Eens zullen wij allen door jezus christus worden opgewekt, en o dan zal ik mijnen vader, al mijne bloedverwanten en vrienden, al mijne bekenden, welke vóór mij de eeuwigheid zijn ingetreden, of na mij derven zullen, wederzien. Ja! ik zie hen alle zalig weder, wanneer zij, wanneer ik, als Christenen geleefd hebben, als Christenen gedorven zijn, als Christenen verrijzen.

Zoo dacht, zoo fprak ik bij mij zei ven, nog nedergeknield bij het graf van den zaligen. De avond viel, duistere fchaduwen verfpreidden zich door de bouwvallen der kerk, en wenkten mij thans, om dit voor velen akelig, maar voor mij dierbaar, heilig oord te ■ ver-