Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

zij dan gereed om den projectielenhagel der beoordeeling op te vangen.

Hier, waar geen mannenkoorleider- of zanger zit, worde luttel munitie verschoten.

Er zijn 21 stukken opgenomen, daaronder 8 uitheemsche : Mendelssohn's Beati Mortui, Die Vesper (naar Beethoven), Klaas Vaak (Sandmannchen), Marche des Janissaires, benevens Le Rossignol van Grétry, Stille sanfte Ruhe (componist onbekend), A. Zander's „Wat ik heb", C. Kreutzer's Zondagmorgen op de heide (Das ist der Tag des Herrn). Bij de Nederlandsche zijn tusschen 5 volkswijszettingen (het Wilhelmus door A. B. H. Verhey, het Zilvervlootlied door Fred. J. Roeske, Kerper's paraphrase van O Nederland, let op uw Saeck en het O Heer die daer en Een liedje van de Zee naar de melodieën van Valerius in onvermelde bewerking) 8 origineelen: Bondslied van Kerper, Grietje van den Mulder, Ons lied van de Zee, Zangwedstrijd (koekoek en ezel) van Wettig Weissenborn, Profijtelijk liedeken van dr. Joh. Wagenaar (over Pilsner bier), C. J. Bute's 'k Hou van Holland en twee Toasten, die Van Paeschen en Van Poppel tot auteurs hebben. Is dat een vertegenwoordiging van onze mannenkoorcomponisten; was er bij Hol, de Brandts Buysen en Zweers niets geschikts te vinden?

Internationalisme schijnt een beginsel van 't genootschap. Het Bondslied — waarin de tekstdichter De Quack den eisch van accentengelijkheid der coupletten vergat en Kerper daarmee genoegen nam — roept: „En vuile ook de taal van vreemden Bij wijl den Nederlandschen mond. Bravo! Eens ruisch' langs Hollands beemden, 't Lied van een Europeesch Verbond. Wie zou dat niet helpen wenschen? Maar dan toch eerst de muziek der natuur van 't eigen land en volk. De bondslieddichter voelt daar ook wel voor, ofschoon hij wat zonderling om akoustische reden het gebied prijst, „Waar

berg noch rots den adem stuit, Maar waar langs open zee en stranden Het Hollandsche zangdicht schatert uit". De laatste twee woorden klinken eenigszins omineus.

Van nationalisme deed de commissie 't Wilhelmus getuigen, zeer terecht, maar zij had A. B. H. Verhey's behandeling uit piëteit, ook voor zijn gedachtenis, niet moeten kiezen, want de wijs heeft een onduldbare verandering aan 't eind gekregen en is ten deele zesstemming gezet, in des, zoodat ze tot bes gaat. Zulk een boekje voor zangers onder elkander zou zoo mooi kunnen dienen tot bevordering van een natuurlijken, vrijen mannenkoorstijl, een met nergens overdreven hoog en laag, veel unisono, weinig accoorden.Wagenaar's Profijtelijk Liedeken, een oorspronkelijk en frisch compositietje, zij 't niet voor geheelonthouders, geeft een voortreffelijk model. Die trant, eventueel gekarakteriseerd door het normale van twee partijen in sprekend contrapunt, zou stellig ook de beste zijn voor onze heerlijke melodieën van eeuwen her, veel ouder dan Valerius' tijd. Menige vervolgbundel moge het toonen. Succes, dat den eersteling in weerwil van eenige bedenkelijkheden zeker toekomt, bane den weg. v. W. iMininniniM

Kwakzalversinrichting ?

Een lezer, musicus van naam, vroeg onze redactie haar oordeel te zeggen over aanbiedingen van een door den hem ononbekenden heer A. J. E. Schaap gehouden Arnhemsch „Instituut voor Muziektheorie". Hij had zijn meening gevormd, maar zou gaarne vernemen of wij 't geval beschouwen als kwakzalverij.

De vrager kan weten wat ik er van denk. Zijn brief vermeldde namelijk dat er in de Nieuwe Arnhemsche Courant een „zeer waardeerend woord" over het „Instituut" gestaan heeft, maar niet van mij. Het was een der vriendelijke berichtjes waarmee stadsnieuwsredacteurs wel eens

Sluiten