Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

361

Maar tusschen Mozart en Rossini bestaat dan ook — het groote verschil van nationaliteit en kunstopvatting daargelaten — eenige verwantschap, en die bestaat er tusschen den Italiaanschen meester en Beethoven niet, evenmin als zij te onderkennen is tusschen Rossini en de talrijke componisten van beteekenis, die Duitschland na Beethoven heeft opgeleverd.

Van hetgeen er na Mozart in Duitschland op het gebied der muzikale compositie is voorgevallen heeft Rossini betrekkelijk weinig notitie genomen. De omstandigheden werkten daartoe ook mede. In zijn jeugd, die hij voortdurend in Italië doorbracht, had de maëstro, gelijk reeds is opgemerkt, weinig gelegenheid om zich op de hoogte der Duitsche toonkunst te stellen. Tijdens zijn eerste verblijf te Parijs (1824—29) leefde hij geheel te midden van Fransche en Italiaansche muziek. En toen hij eindelijk met Guillaume Teil aan de uitoefening zijner kunst vaarwel gezegd had, leefde hij voortaan in tamelijke onverschilligheid voor hetgeen er in de muziekwereld voorviel.

Wij moeten ons daarom nog verwonderen, dat er in dezen bundel brieven voorkomen, waarin Rossini zijne denkbeelden omtrent de muziek van zijn tijd ontwikkelt. Er zij echter op gewezen, dat de maëstro zich beperkt tot de kunst in het algemeen en haar invloed op de jonge componisten van zijn vadei-land. Over bepaalde werken wordt niet gesproken; namen worden, althans van buitenlandsche componisten, niet genoemd.

De hier bedoelde brieven zijn uit de laatste levensjaren van Rossini. In een brief van Januari 1866 schrijft hij aan zijn vriend den componist Giovanni Pacini: „De bijzonderheden, die gij mij mededeelt, bewijzen mij, dat gij nog altijd een vurig aanhanger zijt van de kunst, waarin gij u zoo menigmaal hebt onderscheiden en die tot eenige grondslagen heeft het ideale en het gevoel. Maar deze kunst kan zich niet onttrekken aan den invloed van den tijd, waarin wij leven; en daarom, waarde Giovanni, rust uit en denk aan mijn philosophisch besluit om mijn Italiaansche loopbaan in 1822 en mijn Fransche in 1829 te eindigen. Niet iedereen is het gegeven, een voorgevoel van die veranderingen in de kunstopvatting te hebben. Het Opperwezen schonk het mij, en ik dank hem er elk oogenblik voor. Ik laat het aan uw groot verstand over, het besluit, dat ik genomen heb toen ik daarvoor het oogenblik gekomen achtte, met één te vermeerderen. Thans ben ik slechts een eenvoudig pianist, en ofschoon ik maar behoor tot de vierde klasse, moet ik u zeggen (alle bescheidenheid op zij zettend), dat ik hier geen mededingers heb te vreezen. Volg mijn voorbeeld; gij zult er U wel bij bevinden."

In een brief van Februari 1867 staat: „Gij spreekt over de toekomstmuziek op een wijze, die ik geheel beaam. Tk zal het den Italianen nooit kunnen vergeven, dat zij muziek zonder rbythmus en zonder melodie componeeren. De grootste fout ligt mijns inziens bij het publiek, dat die muzikale kwelling aanmoedigt, in plaats van haar te veroordeelen".

Sluiten