is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 7, 01-04-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

BEOORDEELIK».

«Joh. B. H. Bremer. Soldatenkoor. Marsch uit de opera Faust, van Gh. Gounod , vierhandig voor piano gezet. Rotterdam, bij W. C. de Vletter.

De heer Bremer heeft dezen marsch allerliefst voor vier handen gezet en stellig daarbij voor beide partijen het oog gehad op jeugdige niet ver gevorderde pianobeoefenaars, want de secundo is zoowel als de primo partij zeer gemakkelijk te spelen. Dit Soldatenkoor, de favoriet van den dag, moge dus gerust bij alle leerlingen eenen gunstigen bijval vinden; het is leerzaam en opwekkend. Een lief titeltje met Faust, Méphistofeles en een niet te verleidelijk spinstertje, soldaten enz. krijgt men op den koop toe.

3.

Joh. M. Coenen, Orchest-directeur aan den grooten grooten Hollandschen schouwburg te Amsterdam. Loflied uit het tooneelspel Een Amsterdamsche jongen. Prijs 60 Cts. Uitgave van de erven H. van Munster eu Zoon. (Woonplaats der uitgevers niet vermeld).

— Sluimerlied uit het oorspronkelijk romantisch volksmelodrama De zwarte Duivel. Bij Brix von Wahlberg te Amsterdam.

— Roovers-marsch uil het Ballet Juanita.

— Neêrlandsch Lentelied. Bij eene teekening van G. J. Bos, woorden van A. Snieders Jr. Overgenomen uit het Nederlandsche Magazijn.

— Bij den dood van een landmeisje, woorden van Slessah, als declamatorium bewerkt met accompagnement van piano-forte. Op. 5. Te Amsterdam , bij Brix vpn Wahlberg.

Op den titel staat niet vermeld dat N°. 1, 2 en 4 met piano-accompagnement en N°. 4 voor piano gearrangeerd is.

Het zal mogelijk gedeeltelijk aan ons liggen, als de indruk dezer muzijk niet geheel aan de verwachting beantwoordt. Niet omdat die verwachting te hoog gespannen is , ook niet omdat wij te onbillijk zijn in de eischen der populaire muzijk, maar dan toch, omdat wij vermeenden van een artist, welke veelal met geluk en talent de pen voert, meerdere diepte en geest te mogen aantreffen. Vlugheid, een gemakkelijk savoir faire en théaterkennis, daarbij de gave om met de geschikte kleuren de situatiën te schilderen, zijn de goede eigenschappen van dezen geachten kunstenaar. Doch het zij ons geoorloofd te zeggen, dat hij aan deze hoedanigheden te veel blijft hangen, een en ander te veel als een vernis gebruikt en zich den tijd of de moeite niet genoeg getroost om tot den schoonen kern der kunst door te dringen, ten einde de onderwerpen, overigens door hem zoo goed begrepen, edeler en kernachtiger in muzijk terug te geven. Het schijnt ons toe dat hij te veel aan het veelal te zinledige thèater-effect opoffert, en zijne toehoorders voor niet veel meer dan oppervlakkige en weinig oordeelkundige indrukken vatbaar acht. Ligt en digt, is inderdaad de leuze yan opgemelde compositièn. Als de heer C. kon goedvinden zijn onbetwistbaar talent te versieren met dien grondigen kleurengloed in harmonie en melodie van een Weber en dergelijken , dan zoude hij zoowel bij de kunstwereld als bij het volk weerklank vinden en een solider spoor volgen dan dat bij thans schijnt le verkiezen.

Het Loflied en het Sluimerlied kunnen op booger titel aanspraak maken dan op die van vaudeville-muzijk. Het Lentelied, aardig en lief, is meer de vrucht van ëen vlugschrijver, dan wel het werk van een ernstig componist. De Roovers-marsch kan met de instrumentatie in het ballet behagelijk wezen, maar voor de piano blijft zij niets beduidend. Het »Bij den dood van een landmeisje" is van grooter belang; dit is niet van het theater gerukt, maar een salonstuk , dat tot de voordrag! niels meer verlangt dan een goed spreker en een goed pianospeler. Dit is dan ook het boeijendst zoowel om het onderwerp als om het vele goede en somtijds schoone der muzijk. Dat de heer C. wel de man is om de zaak goed le begrijpen en op te vatten, wordt weer door dit declamatorium bevestigd; jammer slechts dat zoo veel schoone grepen gepaard gaan met zoo veel oppervlakkigs. De punten en situatiën voor de muzijk zijn hier goed gekozen, de toonkleur der perioden gepast gevonden. het voorspel goed gedacht; — de marsch (alleen de aanhef niet oorspronkelijk) en zijne latere herhaling gevoelvol geschreven en zoo juist toegepast. Maar het ijlen van het eerste andante in ^«-majeur; — het onbeduidende van dat in F-majeur; — het burlesque van dien dalenden chrotnatischen gang en het zinledige van het finale benadeelen den indruk van het geheel, dat is jammer. Nu de componist te regt -den klokslag geïmiteerd heeft, moet de spreker absoluut dat driewerf: Bom! weglaten , de lachlust mag immers niet opgewekt worden ?

Eene toepasselijke titelplaat versiert dit duidelijke exemplaar, evenzoo een allergunstigst plaatje het Loflied, maar de kroon spant de gravure van W. H. Stam naar de teekening van G. J. Bos. Deze schoone plaat staat op de keerzijde van het Lentelied flink afgedrukt. Teekenaar, graveur, dichter en componist vormen aldus hier een quartet, waarvan de beide eerste ook de hoogste partijen LI y ven.

Marins A. Brandt», Buys, Zwei Klagen, von A. H. Hoffmann (von Fallerslehen), componirt für eine Alt- oder Baritonstimme, ruit Piano-Begleitung. 50 Cts. Haag, F. J. Weygand & Comp., etc, etc.

Het repertoire der altisten en bariton-zangers mag nu met deze Zwei Klagen vermeerderd worden; zij zullen ze niet te moeijelijk of te lang vinden. Bij deze deogden kan ook nog het eenvoudige accompagnement gevoegd worden. Ziet daar nu reeds veel aanbeveling. Maar ook de compositie , al is de melodische snit van N°. 1 wat oud, en al is N°. 2 wat eentoonig, mag gehoord worden. Door eene goede stem gezongen, (wie zal gelooven dat hij eene slechte bezit?), kan het in de gezelschapkringen eene aangename aanvulling geven en vooral als nieuwigheid de aandacht spannen. De componist vergunne ons intusschen de opmerking dat dit werkje, hoe glad ook al, in niets bijzonders uitmunt en dat hij den zangers geen ondienst zal doen , om hun spoedi» een paar liederen van blijvende waarde aan te bieden. Het tweede valt meer in onze keus dan het eerste, dat inderdaad wel wat deunerig is. Het is zoo te bespeuren dat de componist zich niet heeft willen uitputten. Het dilettantisme is uitgebreid en hare behoefte groot; daar moet altijd in voorzien worden ; elke bevredigende bijdrage is dus welkom, en zulks nog te meer, als het door de pers zoo smakelijk als dit wordt aangeboden.

R. Ilempel. Deux petites Valses pour Ie piano. Op. 4. Prix ƒ 1. Rotterdam, W. C. de Vletter.