is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Vijftigjarig jubileum van de Koninklijke Akademie en Polytechnische school te Delft-4januari 1893. jrg 7, 1892, no 54 [Bijlage]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

v ?™ ^de tfn^e£ van de wet op het H. O. en van die op het M. O. stelt het verschil in het licht, men luistere slechts: Art. 1 der tegenwoordige wet op het H. O. luidt: „Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot „zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene „wetenschappelijke opleiding vereischt wordt." Art. 1 van de wet op het M. O. daarentegen: „Tot het middelbaar onderwijs worden gerekend te behooren „alle vakken, welke volgens deze wet onderwezen worden aan „de scholen waarover zij zich uitstrekt."

Dus vakonderwijs; het woord wetenschap dat in art. 1 van de wet op het H. O. voorkomt, om onmiddellijk nog eens door „wetenschappelijke" te worden gevolgd, wordt hier geheel gemist.

„Niet minder zorgvuldig, zoude ik bijna zeggen, is de wetenschap geweerd uit het eerste artikel der wet, betreffende de P. S.: „Art. 39. De P. S. is bestemd voor de opleiding van: „1°. aanstaande industrieelen of technologen, die eene groo„tere mate van theoretische en technische kennis verlangen, „dan aan eene Hoogere Burgerschool met 5-jarigen cursus, „kan verkregen worden;"

„2°. van hen die verlangen zich te bekwamen tot:" volgen de 5 bekende categoriën van ingenieurs. En toch heet volgens bevoegde uitleggers, als bijv. Prof. Buus, de wet op het M. O. niet bestemd tot het vormen van vakgeleerden, doch tot het verkrijgen „van algemeene kennis, „waarom het vóór alles, waarom het bijna uitsluitend te „doen is," zooals hij het uitdrukt.

Mij dunkt, men had, indien dit zoo bedoeld is. het een weinig duidelijker kunnen uitspreken in de wet, maar zeker heeft het onderwijs der P. S. niet de uitsluitende strekking tot opleiding van vakmenschen, of indien dit al de bedoeling van den wetgever moge zijn geweest, dan bewijzen de uitkomsten, waarop wij ons kunnen beroepen, dat gelukkig eene hoogere opvatting bij de toepassing heerscht, eene opvatting die blijkbaar in overeenstemming is met de wenschen der ingenieurs.

Maar dan mag ook daarin en in de vrijheid onzer studie het bewijs worden gezien, dat het onderwijs aan de F. S. niet onder M. O. gerangschikt behoort te worden.

Wanneer wij dus ten slotte de rechtvaardigheid eener overbrenging yan het onderwijs aan de P. S. naar de wet op het H. O. willen betoogen, ook afgezien van het directe belang van onzen titel en onzen stand, waarvan ik het goede recht overigens gaarne in beginsel erken, dan meen ik, dat juist aan de overeenstemming tusschen het wezen, het karakter van het eene en van het andere onderwijs een argument van eenige beteekenis ontleend kan worden.'

Een argument dat ik van eenoea-zaam cwwirht acht nm I

af te zien van het streven naar gelijkmaking van het meer i in het oog springend verschil ten opzichte van de kermis der klassieken, een streven dat ook in het adres van het Bestuur der Vereeniging in 1881 valt waar te nemen.

Wanneer wij deze gelijkmaking, in ons belang wilden eischen en bijv. verlangen dat ook het Gymnasium toegang tot de P. S. zoude kunnen geven, dan zouden wij vooreerst ons doel slechts kunnen bereiken, door eene, zij het ook slechts partiëele herziening der wet op het H. O.' mede op sleeptouw te nemen. Bovendien zouden wij ons doel slechts zeer onvolledig bereiken; aan voortzetting der klassieke studie aan de P. S., daaraan valt toch inderdaad niet te denken, dat denkbeeld werd dan ook voorzoover mij bekend is hier nog niet geopperd, evenmin in het buitenland toegepast, hoewel daar in den regel behalve de Hoogere Burgerscholen, of soortgelijke inrichtingen ook de Gymnasia of Lycea den toegang tot de Technische Hoogeschool ontsluiten. Voorzoover ik kan nagaan zoude, zonder voortgezette studie, de kennis der klassieken op het Gymnasium verkregen, meer een uiterlijk vernis blijven, dan innerlijke waarde hebben. _ De beteekenis der klassieke studiën, ligt toch m. i. minder m de elementaire studiën van het Gymnasium, dan in hare voortgezette beoefening. Het zoude te ver leiden, wanneer ik deze meening met het gezag van Stttart Mill wilde staven, een paar uitspraken van hem mogen dit gemis, althans voor een klein deel, vergoeden :

„Maar in geen opzicht is de voortreffelijkheid van de geschriften der ouden minder betwistbaar en minder betwist, „dan m dat van de zuiver aesthetische verdienste van de „volmaaktheid in den vorm."

En verder:

„Dit is dan de eerste les, die wij van de klassieke auteurs | „leeren kunnen: naar waarheid in gedachte en in uitdrukking der gedachte te streven.

„De tweede is niet breedsprakig te zijn." i Is de vraag niet gewettigd of geest en karakter der jonge j gymnasiasten wel genoegzaam ontwikkeld kunnen ziin om

deze lessen op den waren prijs te stellen?

Wij zullen ons het gemis van deze kennis moeten en m. i. ook zeer goed kunnen getroosten, indien wij kunnen aantoonen, dat er desniettegenstaande overeenstemming bestaat m het wezen van het Hooger Onderwijs en dat van de P. S.

En hiermede wensch ik van het onderwerp voorloopig afscheid te nemen. Heb ik niet tevergeefs op uw belangstelling gerekend, dan zult gij niet slechts overtuigd zijn, dat ik met eerbied tegen het vraagstuk opzie, doch ook dat ik wat het succes van ons streven betreft, eer tot eene sombere dan tot eene luchthartige opvatting geneigd ben.

Dit laatste zal toch in de eerste plaats op het verkrijgen van eenheid van inzicht in eigen boezem gericht zijn om dan met dat wapen eenmaal in handen een goed versterkt vijandelijke stelling te veroveren. De voorspelling dat ons werk met succes zal bekroond worden, zoude met ongepaste zelfverheffing gelijk staan.

Ik weet maar een woord van bemoediging, waarmede ook Stuart Mill zijne beroemde rede besloot, nl. dit:

„Ik wil u niet aansporen met eenig uitzicht op belooning „voor het goede dat gij stichten zult, 'tzij hier op aarde of „hiernamaals. Maar er is eene belooning, die u onmisbaar „ten deel zal vallen en die vrij mag heeten van alle zelfzuchtige gedachte, omdat zij niet van buiten af wordt aangeboden, maar in de daad zelve van haar te verdienen ligt „opgesloten: dat is het dieper en veelzijdiger belang, dat het „leven voor u zal hebben en dat de waarde van het leven „tienvoudig voor u zal verhoogen en tot den einde toe be„waren. Alle louter zelfzuchtige oogmerken verliezen hunne „beteekenis. naarmate wij in het leven vorderen; dit houdt „niet slechts stand, maar rijst nog in waarde." (1)

En hiermede M. H. verklaar ik het voorzitterschap uwer Commissie te aanvaarden.

(1) Hooger Onderwijs door prof. S. Vissering in «de Gids» van Juli, Augustus, September en October 1867.

De Polytechnische School in de Regeeringskringen.

»Maar daarbij ondervindt de P. S. noar weinia' steun in He wetge¬

vende kringen en laat de belangstelling in onze eenige hoogere technische school nog veel te wenschen over.

Klachten als in de jaarverslagen moesten niet telken jare opnieuw verschijnen. Het vermoeden is dan ook niet al te vreemd, dat zeer vele leden der Kamers de P. S. nooit hebben bezocht of gezien, dat menige Minister zelfs de inrichting niet uit persoonlijke beschouwing kent."

Zoo schreef Ss. op bladz. 263 van den jaargang 1888 van dit blad. Het was een kras, doch niet onverdiend verwijt. Doch de tijden veranderen. Ook voor de P. S. Zij, vroeger een vreemdelinge in onze volksvertegenwoordiging, begint langzamerhand kans te krijgen tot de geregelde verschijningen te behooren. En zoo bestaat er waarlijk hoop, dat de bovenaangehaalde woorden hunne beteekenis zullen gaan verliezen.

Een jaar geleden bij het begrootingsdebat kon men zich verlustigen in het heugelijk verschijnsel, dat bij de Regeering aangedrongen werd voorstellen te doen tot verbetering of vervanging van de lokalen voor het onderwijs in de vakken, die, na Cohen Stüart's. dood, op zoo uitstekende wijze door zijn leerling Schols gegeven worden. Wel was het geen onvervalschte liefde voor de P. S., waarvan blijk werd gegeven, het was meer te doen om de triangulatie van Nederland en wat daaraan vastzit, doch voor ons menschen van de praktijk komt het minder op de bedoelingen dan op de gevolgen aan. En de gevolgen waren, dat in den afgeloopen zomer, in de Tweede Kamer zonder dat tegenstand van eenige beteekenis werd ondervonden en in de Eerste Kamer zonder