is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 18, 1889 (1e deel), no 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

310

bazen der groote Engelsche handelshuizen in Durban, Port Elizabeth en Londen.

Ook onze godsdienst verbiedt ons even als de uwe kwaad met kwaad te vergelden. Wij bedoelen dus geenszins iets te zeggen, wat dezen kooplieden zou kunnen hinderen in de uitoefening van hun bedrijf, of in het voortdurend verkrijgen van hunne overgroote winsten. Maar de vrijheid die wij hen laten, wenschen wij ook voor ons zeiven te behouden. Wij smeeken alleen, dat het hun niet langer zal vrijstaan ons in onzen handel te benadeelen, door lasterlijke geruchten over ons leven en onzen handel te verspreiden. Wij vragen dit zoowel om ons zeiven, als om den wille van het volk. Waar komen de verwijten op neer? Dat wij te goedkoop verkoopen? Met andere woorden, want niemand zal toch dwaas zijn, om te onderstellen dat wij met schade of verlies onze goederen van de hand zetten, wij verkoopen goedkooper dan zij, wij nemen niet zulke hooge, laat ons zeggen, zulke woekerwinsten. Daarom moeten wij weg, omdat wij hun de markt bederven. Is de lage afgunst niet duidelijk? Jaren achtereen hebben zij door dertig, veertig tot honderd percent winst te nemen, zich zeiven verrijkt, ten koste van het volk. Uit den zak van het volk zijn deze overmatige winsten genomen. Nu komen wij, met weinige en kleine winsten tevreden. Deze concurrentie is in het voordeel van het volk, vooral in het voordeel van den armen man. Tegen die concurrentie kunnen zij niet op, tenzij ze even eenvoudig en matig leven als wij zeiven, en daarom is het één gemeenschappelijke kreet van hen: weg met de Arabieren.

Neen, Hoog Edele Heer en Heeren, de strijd tegen ons is niet in het voordeel van het land, maar in zijn nadeel. Door onze winkels zijn de prijzen van alle goederen gedaald, onze tegenstanders zijn wel gedwongen geworden aanvankelijk hunne prijzen ook te verlagen, dat wil zeggen minder uit de zakken van het publiek te nemen. Dat verveelt hen, en er is geen ander middel om aan dien voor hen treurigen staat van