is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1853 [volgno 12]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mengelwerk,

gunstig gevolg heeft opgeleverd, dat tegenwoordig niet meer zoo ligtvaardig wordt te werk gegaan met de afgifte van bewijzen van onvermogen om de armenscholen te bezoeken. — De Heer Keer antwoordt hierop, dat het feit, door den vorigen spreker als stellig erkend, niet bestond, en dat er slechts éénmaal een kind moest worden geweerd, wiens ouders na onderzoek bevonden Werden, niet noodig te hebben gebruik te maken van de armenscholen. De Heer Huidekoper doet bij die gelegenheid den ijver ten deze van den buurtmeester op Kattenburg uitkomen.

De Heer Cooe uit den wensch, dat spoedig eene industrieschool in deze stad moge tot stand komen. — Deze Wenseh wordt gedeeld door den Heer Beoms, die den toestand der handwerkende klasse als niet zeer benijdenswaard voorstelt, hoewel het grooteideels de eigen schuld is der betrokken personen; doch spr. moet tevens aanmerken, dat er geen gelegenheid voor hen is hun beroep te leeren verstaan.

De Heer Teding van Berkhout noemt de bestaande gelegenheden op, als: die der beide departementen van de Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, de «jchool van den Heer Hana; de inrigting voor onderwijs in koophandel en nijverheid, in welke laatste voorloopig wel is waar alleen handel wordt onderwezen, doch omdat, hoezeer de behoefte aan het onderwijs in de industrie bij herhaling krachtig is aangetoond, de begeerte daarnaar niet sterk schijnt te zijn.

De Heer Broms bedoelt echter de lagere handwerkersklasse, die van de genoemde inrigtingen geen gebruik kan maken. — Do Heer Waensinck beaamt het gesprokene der Heeren Cool en Beoms , en is het minder eens