Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

490

kende te zeer de macht harer schoone oogen, dan dat de bekoorlijke opstandelinge zou hebben getwijfeld aan haar invloed tot zelfs over mijnheer de Condé! De booze tongen dier dagen verzekerden dan ook, dat zij zich daarvan niet te veel had voorgesteld.

Athos, die Aramis op de Place Royale verlaten had, begaf zich van daar naar mevrouw de Chevreuse. Ook deze was een frondeuse, die men tot rede moest brengen en zij viel moeilijker over te halen dan haar jonge mededingster. Men had geen enkele voorwaarde ten haren voordeele bepaald. De hertog van Chevreuse was niet benoemd tot gouverneur eener provinciè en, mocht de koningin er al ooit in toestemmen haar de eer van peetschap te bewijzen, dan kon dat toch nooit anders dan over een kleinzoon of kleindochter wezen.

Bij het eerste woord over vrede fronste mevrouw de Chevreuse dan ook de wenkbrauwen en, ondanks al de pogingen, van Athos haar te bewijzen, dat het voortzetten van den oorlog onmogelijk was, bleef zij aandringen op het hervatten der vijandelijkheden.

„Veroorloof mij u te zeggen, lieve vriendin," antwoordde Athos, „dat ieder den krijg moede is, behalve gij en de heer de Gondy. Gij zult u wederom in ballingschap laten zenden, zooals tijdens de regeering van Lodewijk XIII. Geloof mij, wij hebben de jaren achter ons liggen, waarin wij voordeel konden putten in intrigues, en uw schoone oogen zijn niet geschapen, om in tranen te worden uitgedoofd in dat Parijs, waar steeds twee koninginnen zullen heerschen, zoolang gij er zijt."

„Helaas!" zeide de hertogin, „alleen kan ik geen oorlog voeren; maar ik wil mij wreken op de ondankbare koningin en den aanmatigenden gunsteling ... en op mijn woord van hertogin, ik zal dat doen!"

„Mevrouw," hernam Athos, „ik bid u, bederf de toekomst niet voor mijnheer de Bragelonne; hij begint naar' omhoog te komen. De prins is hem genegen, hij is jong en heeft een jongen koning voor zich, die weldra regeeren zal. O! mevrouw, vergeef mij mijn zwakheid; maar er breekt een oogenbhk aan, waarop de mensch in zijn kinderen herleeft."!

Sluiten