is toegevoegd aan uw favorieten.

De gelukkige ure van Christus levendmakende stem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven; het is eene levende stem, namelijk de levende adem van den Zone Gods, waardoor de dooden hoórende en levend gemaakt worden; want het is de levende en levengevende stem van den Zone Gods; ja deze stem is niet minder dan de Zone Gods zelf, sprekende door Zijn Woord en Zijne Geest, Zijne koninklijke ordonnantiën, Zijne krachtige bevelen en Zijnen souvereinen wil voortbrengende, dat de dooden hooren en leven zullen. Het is de levendmakende adem van een Almachtig God in Christus, de doode zielen levend makende. Dus is dan

Het vierde hoofdstuk, daar mij de tekst toe leidt, de wijze van toepassing van dit krachtige middel des levens, namelijk, het hooren van deze stem; de dooden zullen hooren, en die gehoord hebben zullen leven. Het hooren waarvan hier gesproken wordt, is niet het uiterlijk hooren van het oor, maar het inwendig hooren des geloofs; het is een hooren van de stem niet der menschen, maar van God; niet van God volstrektelijk, maar van God in Christus, de stem van den Zone Gods. Het is een hooren dat vergezeld gaat met gelooven, waarvan in het voorgaande vers gesproken wordt; als ook het hoóren, waarvan gesproken wordt, Jesaja 55 : 3: „Neigt uwe oorenj en komt, hoort, en uwe ziel zal leven," Dit geeft te kennen: 1. De uitwendige voorwerpelijke openbaring in eene Goddelijke getuigenis; want „het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods," Rom. 10: 17. — 2. Het geeft te kennen, eene inwendige openbaring van hetgeen uitwendig geopenbaard is; want God openbaart ze ons door Zijnen Geest, waardoor wij weten de dingen die ons van God geschonken zijn," 1 Kor. 2: 10, 12, en op eene andere plaats zegt de apostel: ,/jod, die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zoude schijnen, is degene, die in onze harten geschenen 'heeft, om ons te jjeven verlichting der kennis Zijner heerlijkheid, in het aangezicht van Jezus Christus," 2 Kor. 4 : 6. — 3. Het geeft te kennen, eene toestemming des geloofs aan het Goddelijk getuigenis, omtrent de waarheid en goedheid van hetgeen geopenbaard is; hetzij ten aanzien van den Persoon des Middelaars, den beloofden Messias, zeggende met de Samaritanen, Joh. 4; 42: „Zij zeiden tot de vrouw: wij gelooven niet meer om uws zeggens wil, want wij zeiven hebben Hem gehoord, en weten dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld;" of ten aanzien van Zijne leer en belofte* dit hooren des geloofs is eene toestemming aan de waarheid en eoedheid van Chnstus leer, gelijk die eene bood-